De verplichtingen op hergebruik van gietwater en zuivering van afvalwater komen steeds dichterbij. Het is daarom goed de bemesting nog eens kritisch tegen het licht te houden. Teeltadviseur Bonte de Jong schetst de belangrijkste aandachtspunten voor potplantenteelten en geeft praktische tips voor bemonstering en een juiste interpretatie van analysecijfers.
[wcm_nonmember]
Voor het bekijken van deze content heeft u een lidmaatschap nodig, of log in als u al een lidmaatschap heeft.
[/wcm_nonmember]
[wcm_restrict]
Ook potplantenbedrijven ontkomen niet aan strengere emissienormen en de zuiveringsplicht die op 1 januari 2018 van kracht wordt. Een flink aantal bedrijven voldoet al aan de emissienorm voor stikstof. De nulnorm voor residuen van gewasbeschermingsmiddelen vergt nog de nodige investeringen en inspanningen.
“In gesloten teeltsystemen is het zaak om de kwaliteit van het uitgangs- en gietwater hoog te houden en daar goed op te sturen”, zegt teeltadviseur Bonte de Jong van FytoConsult. In het algemeen gebeurt dat door de voedingsschema’s te corrigeren voor de hoeveelheden voedingsstoffen die met het retourwater terugkomen. Deze zijn niet opgenomen door het gewas en kunnen dus nog een tweede keer dienst doen. Door het drainwater op gezette tijden te laten analyseren – in groeirijke perioden wat vaker dan in de winter – houdt de teler daar zicht op en kan hij overmaat of tekorten van voedingselementen voorkomen.
Bemonsteren
Alertheid loont bij bemesten. Goed meten begint bij een consequente manier van bemonsteren. Afhankelijk van het type substraat, de wijze van water geven, teeltwijze en teeltduur kan een bepaalde methodiek de voorkeur hebben. “In de phalaenopsisteelt zijn lage EC’s gebruikelijk en gebruiken telers meestal een luchtig substraat met weinig buffercapaciteit”, zegt De Jong. “In deze teelt kun je daarom volstaan met bemonstering van het drainwater. Dat geldt overigens voor de meeste orchideeën.”
In de meeste overige containerteelten wordt het substraat bemonsterd en vindt analyse plaats na verdunning met water volgens de 1:1½ volume-extractie methode. Hierbij is het van belang dat er voldoende potten worden bemonsterd en dat dit voldoende diep gebeurt. “In grotere potmaten, zeker bij druppelirrigatie, komen vaak vochtkegels voor”, voegt de adviseur toe. “Als dat het geval is dien je in de kegel te bemonsteren. En voor teelten die wat langer duren, kan het geen kwaad om af en toe eens bewust in de bovenlaag te bemonsteren om te zien of er sprake is van verzilting.”
Eb/vloedsystemen
Bij gebruik van eb/vloedsystemen en een lage gietfrequentie adviseert hij om altijd twee dagen na het water geven te bemonsteren. Bij een dergelijk grof watergeefsysteem heeft het voedingswater tijd nodig om zich in het wortelmilieu te verspreiden en de plant de gelegenheid te geven om er iets mee te doen.
Vanwege het belang van een zorgvuldige manier van bemonsteren beveelt Bonte de Jong tenslotte aan om dat tot een vaste taak te maken van een of twee medewerkers die daarin zijn onderlegd of bereid zijn zich de noodzakelijke basiskennis eigen te maken. “Het is niet heel ingewikkeld, maar de medewerker moet het wel serieus en consequent uitvoeren”, vervolgt hij. “Alleen dan krijg je betrouwbare informatie en kun je doelgericht bijsturen.”
Gewasanalyses
Het kan voorkomen dat bepaalde elementen slechts in beperkte mate beschikbaar zijn voor de plant. Bijvoorbeeld omdat ze in het wortelmilieu zijn vastgelegd, in niet-opneembare vorm zijn omgezet of omdat de opname wordt belemmerd door relatief hoge concentraties van antagonistische elementen. Gewasanalyse maakt duidelijk wat de plant precies heeft opgenomen en of er van sommige elementen een tekort of juist overmaat is.
“Als zich ergens problemen voordoen, wil je dat bij voorkeur weten voordat de plant zichtbare gebreken krijgt”, zegt De Jong. “Een gewasanalyse kan snel duidelijk maken waar je dat probleem moet zoeken”, verklaart hij. “Je ziet precies wat de plant heeft opgenomen en je weet ook wat er via het gietwater is aangeboden.”
Voor gewasanalyse is er keuze uit twee methoden: sapanalyse en drogestofanalyse van volgroeide bladeren. Sapanalyse is de snelste methode, maar is ook minder compleet en geeft een beperkt inzicht. Vanwege de snelheid wordt hij echter toch vaak toegepast. Drogestofanalyse graaft dieper, maar duurt doorgaans enkele dagen langer. Los van de gekozen methode geldt ook hier dat het bemonsteren consequent moet gebeuren.
IJzer
IJzer is een element waarop het zicht niet altijd even scherp is. Afhankelijk van het bij de teelt passende pH-regime wordt het via een specifiek chelaat meegegeven om het te behoeden voor oxidatie, in suspensie gaan of andersoortige fixatie die het kation ongeschikt maakt voor opname door de wortels. Toch kan dit in het wortelmilieu wel degelijk plaatsvinden.
“Na enige tijd worden chelaten instabiel en breken ze af, waardoor het ijzerion niet langer is beschermd”, aldus De Jong. “In recirculatiesystemen loopt het ijzergehalte daarom vaak snel terug. Anderzijds komt ook het doseren van veel ijzer voor terwijl er in de grondanalyse niets van is terug te vinden, terwijl het gewas toch voldoende ijzer bevat. Daar is eveneens een goede verklaring voor. Direct rond de wortels is het vaak net wat zuurder dan daarbuiten, waardoor het daar net zuur genoeg is om ijzer in opneembare vorm beschikbaar te maken.”
Zink
Is er van ijzer soms een tekort, bij zink dient men juist alert te zijn op oplopende concentraties. De adviseur: “Zink wordt door de meeste gewassen slecht opgenomen en dat is ook niet erg, want ze hebben er heel weinig van nodig. Belangrijker is dat dit eveneens tweewaardige kation de opname van ijzer en mangaan door de plant kan frustreren.
De meeste kassen bevatten verzinkte onderdelen en een flink aantal potplantenkwekerijen gebruikt rolcontainers met verzinkte gaasbodems. Via deze zinkhoudende materialen komt er telkens wat van dit element terug met het retourwater. In gesloten teeltsystemen kan zinkovermaat een serieus probleem worden, want je raakt het niet snel kwijt.”
Ureumfeed voor orchideeën, Netfeed voor overige gewassen
Netfeed is een algemeen bemestingsprogramma. Telers kunnen hiermee online hun eigen schema’s invoeren en aanpassen. Ureumfeed is speciaal ontwikkeld voor phalaenopsis en andere orchideeën.
In orchideeënteelten wordt relatief veel stikstof gegeven in de vorm van ureum. Dat zie je normaliter niet terug in de analyses. Ureumfeed houdt daar in tegenstelling tot andere programma’s rekening mee en compenseert daar automatisch voor bij het advies. Bedrijven die dit programma gebruiken, houden daardoor de concentratie van het omzettingsproduct ammonium beter in de hand.
De Jong wijst in dit verband wel op de tendens om over te stappen op substraatmengsels die minder en fijnere bark bevatten en daardoor beter bufferen. Daar passen doorgaans ook lagere ureumgiften bij.
Samenvatting
Gesloten teeltsystemen dwingen telers om de kwaliteit van het water hoog te houden en extra aandacht te besteden aan de bemesting. Goed meten begint bij frequente en vooral consequente bemonstering van het substraat, drain- en/of retourwater. Aanvullende gewasanalyses kunnen meer duidelijkheid bieden in probleemsituaties.
Tekst en foto’s: Jan van Staalduinen.
[/wcm_restrict]
