Plantsapanalyse rukt op als instrument om de bemesting af te stemmen op de behoeften van het gewas. De techniek heeft zijn nuttige kanten, maar er zijn ook zwakke schakels. De belangrijkste is dat goede streefwaardes voor alle omstandigheden ontbreken. Voor sommige elementen kan de analyse toegevoegde waarden hebben, voor andere helemaal niet.
[wcm_nonmember]
Voor het bekijken van deze content heeft u een lidmaatschap nodig, of log in als u al een lidmaatschap heeft.
[/wcm_nonmember]
[wcm_restrict]
Bij plantsapmetingen bepalen gespecialiseerde bedrijven de gehaltes aan opgeloste elementen (ionen) in het sap van bladeren of bladsteeltjes. De concentraties kunnen een beeld geven van wat de plant heeft opgenomen. Ze nemen monsters van bladeren, bladsteeltjes of eventueel andere delen, zoals de vrucht. Die monsters gaan de vriezer in om de cellen kapot te laten vriezen. Op die manier kan het sap namelijk beter vrijkomen dan wanneer je de verse delen meteen uitperst. Na het uitpersen filtreert de onderzoeker het sap. Vervolgens wordt het geanalyseerd op de gehaltes aan elementen. Alle ionen kunnen in één werkgang worden bepaald.
De analyse van het sap is heel nauwkeurig. Ook de voorbewerking – de winning van het sap – geeft weinig problemen. Maar de zwakke plekken in het systeem zitten in de monstername en vooral in de streefwaardes, dat wil zeggen: waarmee vergelijk je de gevonden gehaltes? Wat is ideaal? Wat is acceptabel?
Goede streefwaardes
Om te beginnen met de monstername: daarbij zijn veel keuzes mogelijk. Welk plantorgaan neem je, van welke leeftijd, op welke plek aan de plant? De bedrijven die de test aanbieden hebben daarvoor hun richtlijnen, bijvoorbeeld ’s morgens vroeg monsters nemen, steeds door dezelfde persoon en op twee plekken in de plant, namelijk het jongste volgroeide blad en het oudste vitale blad.
De speling daarbij is echter groot. Het maakt verschil of een jong blad vol in de zon hangt of veelal in de schaduw, dan kunnen de ionengehaltes in het sap verschillen. Bovendien kunnen de gehaltes verschillen naar planttijd: een jong blad bij de vierde tros van een tomatengewas dat in september is geplant, zal anders zijn dan hetzelfde blad van een gewas geplant in december.
Deze keuzes hangen sterk samen met het centrale probleem bij deze metingen: het ontbreekt aan goede streefwaardes. Je vindt bijvoorbeeld een bepaald gehalte (in mmol/l) aan zwavel. Is dat oké? Hoe laag of hoe hoog mag het zijn?
Samenhang berekenen
De optimale concentratie voor opgeloste elementen in het plantsap kan alleen goed worden bepaald met bemestingsexperimenten. Die zijn tot nu toe echter maar beperkt gedaan.
Voor de gehaltes in de drogestof zijn die wel voorhanden. Je kunt die omrekenen naar wat de gehaltes in het plantsap zouden moeten zijn en zo streefwaarden afleiden voor de analyse. Je moet dan wel eerst nagaan of je wel dezelfde waarden meet via deze methode en de drogestofmethode. Er zijn inmiddels heel wat vergelijkingen gedaan waarbij dezelfde monsters via beide methoden zijn onderzocht.
Met een statistische techniek kan de samenhang tussen gehaltes in drogestof en sap worden berekend. Voor sommige elementen blijkt die samenhang groot, voor anderen is er helemaal geen samenhang. Een goed voorbeeld van het laatste is ijzer. Daar kun je op grond van drogestof-cijfers dus helemaal niets zeggen over gewenste gehaltes in het sap.
Elke situatie eigen streefwaarde
Om het probleem van ontbrekende referentiewaarden op te lossen, bouwen analysebedrijven hun eigen databestanden op. Gebaseerd op heel veel monsters en een vergelijking met drain- en druppelgehaltes komen ze tot een range voor de verschillende elementen, en geven op grond daarvan adviezen.
Maar om dat goed te kunnen doen, zou je voor elke situatie apart een streefwaarde moeten hebben. En dan zijn er heel veel verschillende situaties mogelijk. Hierboven is er al een aantal genoemd (blad opgegroeid in de zon of de schaduw, blad van gewassen met een verschillende plantdatum). Bovendien bestaan er rasverschillen. Maar de volgende voorbeelden maken nog meer duidelijk waar de pijn zit.
Roos op een onderstam neemt gemakkelijk borium op; op eigen wortel echter niet. Je kunt dus geen algemene richtlijn voor borium in roos geven, maar je moet specificeren of hij op een onderstam staat en zelfs welke dat is. Ander voorbeeld: bij een overmaat aan mangaan concentreert zich dat op een specifieke plek, namelijk aan de randen van oude bladeren. Bij een standaard monstername kun je dat gemakkelijk missen.
Adder onder het gras
Daarnaast heeft elk element zijn specifieke gedrag in de plant. Figuur 1 geeft de gehaltes aan calcium van jong blad bij de tros. Elk lijntje is een apart blad. Te zien is dat het gehalte met de leeftijd snel oploopt, maar ook dat de beginwaarde steeds varieert in de tijd en ook de snelheid van toename. Dit betekent dat er echt geen advies te geven is over het gewenste calciumniveau.
In contrast daarmee verandert bij stikstof (figuur 2) het gehalte per blad maar weinig met het ouder worden, maar zie je gedurende het seizoen wel een daling. Hier is best een advies op te baseren. Maar er zit wel een adder onder het gras; heel veel stikstof zit vast in eiwitten. Bij een drogestofanalyse vind je daarom hoge cijfers. In plantsap meet je voornamelijk het opgeloste nitraat. De verhouding tussen opgelost nitraat en eiwitstikstof is gecompliceerd. Toch blijkt dat het nitraatgehalte sterk afneemt bij een afnemend aanbod aan stikstof in het substraat. Daarom is deze methode geschikt om een dreigend N-gebrek te laten zien.
Betere vruchtkwaliteit
Bij kalium (figuur 3) zie je in de loop van het seizoen een daling van de gehaltes in het sap. Tegelijkertijd lopen de draincijfers op; dat is logisch bij minder opname. Teeltbedrijven die werken met plantsapmetingen melden dat ze veel minder kalium zijn gaan geven op grond van de analyses. Dat is op zich niet verwonderlijk: kalium is heel goed opneembaar en door de hoge EC die telers gemiddeld aanhouden, geven ze relatief veel nutriënten, waardoor er ruimte is om te verlagen.
Maar ook hier past een kanttekening: uit onderzoek blijkt dat meer kalium tot een betere vruchtkwaliteit leidt (betere houdbaarheid, betere smaak en doorkleuring). Het is heel simpel om op grond van die inzichten een minimum kaliumgehalte in de drain aan te houden. Dat is mogelijk met de gewone analyse van de drain; een plantsapmeting voegt daar weinig aan toe (behalve wellicht als die goedkoper zou zijn dan een drainanalyse).
Nuttige informatie
Bij de huidige stand van zaken is sturen via plantsapanalyse mogelijk voor kalium, nitraatstikstof, magnesium, fosfor, zink en koper. Voor calcium, ijzer en mangaan geeft het sap te weinig informatie; het grootste deel zit namelijk vast in de drogestof. En juist calcium en ijzer geven de meeste hoofdbrekens bij de bemesting. Bij borium, molybdeen en zwavel is het twijfelachtig of je met deze techniek kunt sturen.
Alleen sturen op plantsapgehaltes is erg riskant. Weliswaar geeft het voor een aantal elementen goed de trend weer van de opname, maar uiteindelijk gaat het erom dat er voldoende aanbod is aan voeding voor de plant. Een controle via drain- en eventueel druppelwaardes is daarom van groot belang.
In specifieke gevallen kan een gewasmonster – hetzij drogestof, hetzij sap – nuttige informatie geven. Bijvoorbeeld bij een mogelijk gebrek of overmaat met een onduidelijke oorzaak: er kan bijvoorbeeld genoeg in de voeding zitten, maar de plant neemt het niet goed op. De plantsapmethode kan dan snel een beeld geven van het probleem.
Samenvatting
Plantsapanalyse wint aan populariteit. Er zijn echter nogal wat zwakke schakels. Voor kalium, nitraatstikstof, magnesium, fosfor, zink en koper is de methode bruikbaar, voor andere elementen geeft deze techniek alleen te weinig informatie. De achilleshiel zijn goede normen/streefwaarden. Om het goed te doen, zou je voor heel veel verschillende situaties zulke normen moeten hebben.
Tekst: Wim Voogt, Ep Heuvelink (Wageningen University & Research) en Tijs Kierkels.
Foto’s: Wageningen University & Research.
[/wcm_restrict]
