Voor telers die vooruit kijken

‘Meer inzichten nodig om tot echte precisiebemesting te komen’

Bemestingsspecialist Geerten van der Lugt:
336 0
‘Meer inzichten nodig om tot echte precisiebemesting te komen’

Bemesting is al een heel oud vak, maar veel telers blijven het ingewikkeld vinden. Er is geen kookboek met standaard recepten die je altijd kunt toepassen. Precisiebemesting vergt gedegen basiskennis bij de teler, maar er mist ook nog voldoende wetenschappelijk inzicht om het daadwerkelijk uit te kunnen voeren.
[wcm_nonmember]
Voor het bekijken van deze content heeft u een lidmaatschap nodig, of log in als u al een lidmaatschap heeft.
[/wcm_nonmember]
[wcm_restrict]

Sinds de eeuwwisseling is er veel geld gestoken in onderzoek op het gebied van licht, water, plantgezondheid en Het Nieuwe Telen. Daarbij vergeleken steekt de aandacht voor bemesting wat mager af. “Wat we nu doen, is eigenlijk nog steeds gebaseerd op wat in de jaren 1970-1990 is ontwikkeld. De principes zijn nog steeds hetzelfde. Natuurlijk zijn er wel zaken verbeterd, maar om werkelijk richting precisiebemesting te komen, moet er meer gebeuren”, zegt Geerten van der Lugt, onafhankelijk adviseur op het gebied van plantenvoeding (in relatie met gewasgroei en water).

Generatieverschil

Veel telers vinden bemesting een ingewikkeld onderwerp. Je moet twaalf nutriënten managen, met ieder hun eigen gedrag, in combinatie met pH, EC, zout en bicarbonaat. De verhoudingen tussen de elementen zijn belangrijk, maar ook groeistadium en klimaat tikken door. Daarnaast zijn water- en voedingsgift gekoppeld. Vaak wordt er op zeker gespeeld.
Het valt Van der Lugt op dat de oudere generatie telers er minder moeite mee heeft dan de jongere (onder de 40 jaar). “De oudere generatie weet echt meer over bemesting; niet alleen door ervaring maar ook omdat ze het ooit goed hebben geleerd”, constateert hij.
“Gebrek aan basiskennis kan een belemmering zijn als je naar precisiebemesting wil. Je laat nu iets liggen: het kost de plant energie om met een suboptimaal wortelmilieu om te gaan. Het is nog een vraag hoeveel dat is, maar je ziet op alle vlakken in de tuinbouw de drang naar verbetering. Bij bemesting blijft dat tot nu toe achter.”

Grote kasafdelingen

Natuurlijk zijn er in de loop van de tijd wel zaken verbeterd. De waterkwaliteit bijvoorbeeld. “Goed uitgangswater is de basis van de bemesting; dat is een stuk verbeterd. Dat geldt ook voor de meststoffen zelf; die zijn bijvoorbeeld minder zout geworden. Recirculeren is de standaard. En er is wel meer aandacht voor nutriëntenopname, bijvoorbeeld via plantsapmetingen en opnameberekeningen.”
Aan de andere kant: het sturen met de EC krijgt tegenwoordig minder aandacht. Maar dat laatste is wel typisch een punt waar nog verbetering mogelijk zou zijn. “Iedereen kent wel de EC-lichtverlaging: dat je bij zonnig weer de EC verlaagt. En iedereen beaamt dat het een goed idee is. Maar toch zie je dat veel telers het te ingewikkeld vinden, bijvoorbeeld omdat ze hun watersysteem te traag vinden. Het klopt inderdaad dat de inflexibiliteit is toegenomen door grote kasafdelingen. Maar eigenlijk zou je juist flexibeler willen zijn. Hoe je weer meer flexibiliteit bereikt, is overigens nog geen uitgemaakte zaak”, zegt hij.

Precisiebemesting

De teler die de vinger goed aan de pols houdt en regelmatig analyses laat uitvoeren, valt geen grote builen. Maar eigenlijk kan het beter. “We zitten nu op een ritme van één keer per week of twee weken monstername. Dat zorgt ervoor dat er geen gekke dingen gebeuren. Als je altijd op hetzelfde moment op dezelfde plek monsters neemt, krijg je keurige rechte lijnen. Wanneer je echter vaker meet, zie je dat er juist nogal wat variatie optreedt.”
Bij frequente meting blijkt niet alleen dat het verloop in concentatie in druppelwater, mat en drain zich verschillend gedraagt (figuur 2), maar ook blijken de concentraties in de drain enorm te wisselen (figuur 1). Het hangt dus erg van het tijdstip van monstername af welke informatie je krijgt. Uit die variatie over de dag en over de weken zou je meer informatie kunnen halen: opnamepatronen, dag/nachtritmes, de invloed van het weer op de opname van water en nutriënten. Zulke informatie kan heel nuttig zijn om preciezer te bemesten. Op zijn minst zou precisiebemesting enkele procenten opbrengststijging kunnen betekenen, denkt Van der Lugt.

Ionspecifiek meten

Het is een ingewikkeld verhaal, maar eigenlijk is het merkwaardig dat het zo blijft liggen. Er is de afgelopen jaren meerdere keren gekeken naar ionspecifiek meten. De techniek daarvoor is inmiddels robuust genoeg, maar het ontbreekt aan wetenschappelijk inzicht wat je met de resultaten aan moet. Daar zou dus voortgang in moeten komen en daarbij zou je continue praktijkmeting moeten realiseren. Vervolgens komt de procestechniek om de hoek kijken. Je moet dan echt flexibeler kunnen bemesten, anders heb je weinig aan de inzichten. De adviseur: “De tendens is echter juist geweest: grote afdelingen aangestuurd vanuit de bemestingsunit. Dat remt de ontwikkeling. Maar de eerste stap is toch echt: we hebben een beter inzicht nodig. Zolang telers niet overtuigd zijn dat het beter kan, zal er technisch ook niets veranderen.”
Zelfs telers die de technische mogelijkheden al in huis hebben, zoals een automatisch doseersysteem voor vloeibare meststoffen, gebruiken die niet. In zo’n systeem kun je tientallen bemestingsrecepten instellen. Maar in het algemeen worden er maar twee gebruikt: een startschema en een schema voor bloei en vruchtdracht.

Nieuw evenwicht

De grondteelt heeft in de jaren ’90 met een schuin oog naar de substraatteelt gekeken en veel overgenomen. Een hoog bemestingsniveau via druppelaars. De grond werd als substraat behandeld en dat leidde tot structuurproblemen als verslemping en verdichting en een slechte waterhuishouding.
Die tijd ligt achter ons. Het besef dat de bodemstructuur belangrijk is, is weer helemaal terug. Veel kennis vanuit de buitenteelten vindt zijn weg naar de kasgronden en er is aandacht voor bodembiologie.
Van der Lugt: “Je moet daar iets mee en nu zie je dat de substraatteelt juist naar de grondteelt kijkt op dit vlak. Maar er bestaan veel misverstanden over bodembiologie. In de buitenteelt moeten meststoffen en organische materialen worden gemineraliseerd voor de opname. Dat is voornamelijk een biologisch proces, waardoor de bodembiologie van groot belang is. In de kas zijn we wel gewend heel veel mest te gebruiken bij de grondteelt; dat heeft geleid tot verwaarlozing van de bodembiologie en daardoor zijn fouten ontstaan. Nu is het zoeken naar een nieuw evenwicht.”

Bodembiologie substraat

Hij ziet soortgelijke redeneringen voor substraat, maar benadrukt dat het toch heel anders ligt: “Op substraat heb je de bodembiologie niet nodig om de meststoffen beschikbaar te krijgen voor de plant. In het veld en in de natuur spelen mycorrhiza’s een rol bij de opname van elementen. Op steenwol maken planten echter helemaal geen haarwortels, dus die kunnen dan ook niet worden gekoloniseerd door mycorrhiza’s. Ze hebben een nuttige rol in natuurlijke gronden; op substraat heb je er niets aan.”
Maar er is wel een andere reden om serieus te kijken naar de bodembiologie op substraat. “Bodembacteriën en andere organismen kunnen een nuttige rol spelen bij de weerbaarheid. Maar er moet nog meer aan ontwikkeling plaatsvinden om dat gericht in te kunnen zetten. De lijn tussen ecologie en praktijkonderzoek zou sterker moeten zijn om tot een visie op dit gebied te komen.”

Samenvatting

De aandacht voor bemesting in het onderzoek steekt wat mager af bij die voor onderwerpen als water, licht en plantgezondheid. Om werkelijk tot precisiebemesting te komen is meer wetenschappelijk inzicht nodig naast continue metingen en flexibele procestechniek, voert bemestingsadviseur Geerten van der Lugt aan. Ook op het gebied van bodembiologie is meer kennis nodig om tot een visie op dit gebied te komen.

Tekst: Tijs Kierkels. Beeld: Wilma Slegers.





[/wcm_restrict]

Gerelateerd

Geef commentaar

Uw e-mail adres wordt niet gepubliceerd