Voor telers die vooruit kijken

‘Nieuwe plagen grijpen hun kans doordat we minder chemie kunnen inzetten’

Integrated Pest Management vraagt om creativiteit telers
623 0
‘Nieuwe plagen grijpen hun kans doordat we minder chemie kunnen inzetten’

Geïntegreerde gewasbescherming of Integrated Pest Management (IPM) in de glastuinbouw was het afgelopen jaar lastiger dan ooit. In de groenteteelt doken plots oude bekenden op als wantsen, galmijten en Bemisia. In de sierteelt zijn wolluis en trips problematisch. Omdat steeds minder chemische correctiemiddelen beschikbaar zijn, is creativiteit vereist. Telers zetten alternatieven in als vangplaten, plakstrips of feromoonvallen. Goede monitoring blijft daarnaast onmisbaar.

[wcm_nonmember]
Voor het bekijken van deze content heeft u een lidmaatschap nodig, of log in als u al een lidmaatschap heeft.
[/wcm_nonmember]
[wcm_restrict]

De grondbeginselen van IPM zijn helder: zo veel mogelijk niet-chemische methoden gebruiken en zo doelgericht mogelijk gewasbeschermingsmiddelen inzetten. De verplichting om volgens IPM te werken geldt sinds 2014 en is vastgelegd in een Europese richtlijn. Hoewel de Nederlandse glastuinbouw kampioen is in de toepassing van natuurlijke vijanden tegen plagen, werd in 2016 duidelijk dat het evenwicht in de kas soms wankel is.
Jeannette Vriend, coördinator effectief maatregelenpakket bij LTO Glaskracht Nederland constateert dat de ziektedruk toeneemt en de speelruimte kleiner wordt. “Het IPM-systeem is een lastige puzzel. De teelten zijn langer en intensiever, telers belichten meer, de oppervlaktes zijn groter en de risico’s navenant. Elk jaar is anders: afgelopen jaar was de zomer lang en warm. We zien dat het klimaat verandert. Het systeem van biologische bestrijders als roofmijten, roofwantsen en sluipwespen leek compleet te zijn, maar daar blijken soms toch gaten in te zitten. Bemisia, tuta absoluta, wolluis, behaarde wantsen of tomatengalmijt kunnen ineens opkomen en veel schade aanrichten.”

Trage processen

Tegelijkertijd is het middelenpakket steeds smaller en de toetsing van middelen complex en traag. Smaller, omdat er chemische stoffen afvallen en nauwelijks nieuwe bijkomen. Complex en traag, omdat de toelating deels op Europees deels op nationaal niveau gebeurt. Zo neemt de European Food Safety Authority (EFSA) veel tijd om een nieuwe of gewijzigde Maximale Residu Limiet (MRL) vast te stellen. Die moet de Europese Commissie vervolgens bekrachtigen. Pas wanneer dit proces is afgerond kan het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) een besluit nemen over de toelating en het etiket. Die processen lopen niet altijd in de pas. Daardoor kon het bijvoorbeeld gebeuren dat AATerra ME geen herregistratie kreeg voor de komkommerteelt. Na 1 juni is het middel niet meer inzetbaar in deze teelt, juist in de periode dat Pythium zeer lastig beheersbaar is.
Om deze en andere problemen onder de aandacht te brengen, stuurde LTO Nederland in november 2016 een brandbrief naar de staatssecretaris van Economische Zaken. Ze verzocht de regering meer te doen om elf knelpunten op te lossen. Kleine toepassingen mogelijk maken én laag-risicoproducten versneld toelaten bijvoorbeeld. “Als telersorganisatie blijven we hameren op de knelpunten. De glastuinbouw loopt voorop in biologische bestrijding, maar de randvoorwaarde om verder te verduurzamen is én blijft ook een effectief middelenpakket”, meent Vriend.

Volle oorlogssterkte

Komkommerteler Corné Stouten, die een bedrijf van 2 ha in het Zeeuwse Oosterland heeft, is het daar helemaal mee eens. “Biologie is de basis van ons bestrijdingsplan. Dat onderschrijft elke teler. In de ontwikkeling van biologische bestrijders zijn gelukkig afgelopen jaren grote stappen gezet. Maar de effectiviteit ervan valt of staat wel met chemische correctiemiddelen, die nu te snel worden beperkt. Eén toelating minder kan voor ons het verschil maken tussen zwarte en rode cijfers schrijven. Dat we door gedoe vanwege een procedure een middel tegen Pythium missen, daar zijn we als telers best wel ziek van.”
Gevraagd naar de grootste knelpunten in de komkommerteelt noemt hij de bekende drie: spint, wittevlieg en trips. “De roofmijt Amblyseius swirskii is voor ons de belangrijkste predator. We zien dat de opbouw van een goede populatie heel belangrijk is. Hij moet op volle oorlogssterkte zijn als trips zich in het voorjaar aandient. Maar voor de swirskii moet er wel genoeg te eten zijn. Vorig jaar heb ik proeven gezien met het bijvoeren met stuifmeel. Dat lijkt goed te werken, dus daar ga ik dit jaar mee aan de gang.”
Naast natuurlijke vijanden zet Stouten vangplaten en plaklinten in tegen wittevlieg. “Natuurlijk voor de signalering, maar ook pleksgewijs ter bestrijding. Je lost er de plaag niet mee op, maar je kunt er zo de helft mee afvangen. En weg is weg.”

Nieuwe lastposten

Behalve de ‘bekende’ plagen grijpen andere lastposten hun kans, juist omdat telers een gewasbeschermingsmiddel als Admire niet meer gebruiken. Dat is namelijk alleen toegestaan mits zij hun restwater zuiveren. Voorbeelden van nieuwe plagen in tomatenteelt zijn Bemisia tabaci en de tomatengalmijt. En in de komkommerteelt? Stouten: “Luis is in opkomst. Rupsen zie ik meer dan vroeger. Ook cicaden en wantsen kunnen veel schade aanrichten. Wantsen zijn relatief grote vliegende insecten, die lastig te bestrijden zijn.”
Niet alleen komkommertelers, maar ook auberginetelers zien de wants elk jaar vaker in de kas verschijnen. Volgens teler Martijn van Onselen, die met zijn broer Arjan een bedrijf van 8,6 ha heeft in ’s Gravenzande, is deze plaag lastig onder controle te krijgen.
“Hij kan veel productie kosten, omdat de wants de bloemknop aanprikt. Dat leidt tot abortie. Daarom heeft onze gewascoöperatie budget vrijgemaakt om onderzoek naar de bestrijding ervan te doen. Vier jaar geleden bleek uit een spuitproef dat een biologisch middel een redelijke werking tegen wants heeft. Deze heeft helaas geen toelating in de aubergineteelt. Erg jammer, want bij toelating zou het chemieverbruik kunnen verminderen. Een ander onderzoek richt zich op het uitzetten van vallen met lokstoffen. De resultaten daarvan zijn wisselend.”

Trainen van eigen mensen

Verder noemt Van Onselen de aubergineteelt een gevoelige teelt, die vooral te kampen heeft met de ‘standaard’ plagen. “Ook wij zetten in op maximale biologie. Dit jaar kiezen we voor een andere roofmijt, de Amblyseius montdorensis. Vorig jaar lieten proeven goede resultaten zien. Elk jaar maken we een basisplan, maar het blijft acteren naar aanleiding van de ziektedruk. We trainen onze mensen intensief hoe zij plagen kunnen herkennen. Wanneer je er vroeg bij bent, kun je erger voorkomen. Signaleren doen we met vangplaten, die we bij toenemende druk ook inzetten om trips of wittevlieg te bestrijden. Soms gebruiken we op kleine haardjes zelfs een gasbrander om volwassen exemplaren te doden.”
Hij meent dat IPM de komende jaren een belangrijker issue wordt. “Onze gewascoöperatie heeft extra bijeenkomsten gepland die speciaal zijn gericht op gewasbescherming. Regeren is vooruitzien. We moeten steeds creatiever zijn om ons auberginegewas gezond te houden. Dat vraagt om out of the box-denken. Als we er voldoende energie insteken en onze kennis delen, komt het goed. Daar heb ik vertrouwen in.”

Maximale aandacht

Dat telers samen investeren in kennisontwikkeling en onderzoek is volgens Jeannette Vriend een goede stap. Zij denkt dat gewasbescherming de maximale aandacht verdient van alle ondernemers. “Het is belangrijk dat telers kiezen voor goed advies en een gedegen plan. Het heeft zin om ruim biologie in te zetten en nauwgezet ziekten en plagen te monitoren. En alternatieve methodes in te zetten waar dat kan. Mochten er calamiteiten zijn, dan willen we dat bij LTO Glaskracht graag weten. IPM is namelijk een complexe puzzel. Samen moeten wij proberen de juiste stukjes te leggen.”

Samenvatting

Integrated Pest Management (IPM) was afgelopen jaar een forse uitdaging. Chemische middelen verdwijnen uit het pakket, terwijl alternatieven nog niet voorhanden zijn of geen toelating hebben. Daardoor komen nieuwe ziekten en plagen op. Door strikt monitoren proberen telers de schade te beperken.

Tekst: Karin van Hoogstraten. Foto’s: Studio G.J. Vlekke.[/edd_restrict]

[/wcm_restrict]

Gerelateerd

Geef commentaar

Uw e-mail adres wordt niet gepubliceerd