Het gebruik van biostimulanten zit duidelijk in de lift. Een ontwikkeling die hand in hand gaat met de zoektocht van telers naar een meer duurzame groeiomgeving. Door stoffen en/of micro-organismen toe te voegen aan het substraat pogen ze de natuurlijke processen van een gewas te versterken. Echter, de regels omtrent biostimulanten zijn nog vaag. Telers zitten met vragen. Kunnen de stoffen veilig worden gebruikt en doen ze eigenlijk wel datgene wat ze claimen te doen?
[wcm_nonmember]
Voor het bekijken van deze content heeft u een lidmaatschap nodig, of log in als u al een lidmaatschap heeft.
[/wcm_nonmember]
[wcm_restrict]
RHP (Europees kenniscentrum voor substraten) werkt aan meer duidelijkheid omtrent biostimulanten. Het is belangrijk dat deze middelen gecontroleerd worden ingezet, vindt ook technisch adviseur Frank Woets. “Wij monitoren de betrouwbaarheid en kwaliteit van substraten. Met gecertificeerde grond- en toeslagstoffen verkleint een bedrijf de teeltrisico’s aanzienlijk. Biostimulanten nemen we ook graag mee in dat certificatieproces. Dat is lastig, want de regelgeving omtrent die middelen is nog niet ver ontwikkeld.”
Dunne scheidslijn
“Wij denken graag in heldere kaders. Wanneer er duidelijke richtlijnen liggen, kun je toetsen en handhaven. Bij biostimulanten is dat nog onvoldoende het geval, de kaders van het ‘hokje’ zijn te vaag.” Het is daarom lastig te beoordelen welke toevoegingen tot de groep van biostimulanten behoren. Officieel geldt bijvoorbeeld dat deze producten het gewas beschermen tegen abiotische stress, dus de invloeden van weer, zon en wind. Claimt een middel echter dat het door deze bescherming de druk van ziekteverwekkers kan terugdringen, dan valt het plots onder de groep van reguliere gewasbeschermingsmiddelen of biociden. En daar gelden heel andere regels voor. Een heel dunne scheidslijn dus.
Toch heeft het kenniscentrum de laatste jaren verschillende biostimulanten in behandeling genomen. Woets: “Onze leden vragen erom. Zij krijgen van hun klanten, de afnemers van potgrond en substraten, het verzoek biostimulanten mee te nemen in de mix. Maar mag dat product dan nog wel ons keurmerk dragen? Middels een speciale categorie in het certificatieprogramma komen we de praktijk tegemoet. De toetsen zijn beperkter dan die van andere toevoegingen. We onderzoeken de middelen wel. Onder meer op plantveiligheid en humaanveiligheid en in teeltproeven. Zijn die uitslagen allemaal correct, dan kunnen ze toegevoegd worden aan een substraat. De biostimulant zelf ontvangt geen keurmerk, maar de uiteindelijke mix blijft wel RHP-gecertificeerd.”
EU regelgeving
Een wereldwijde telling kwam onlangs uit op ongeveer 1.500 biostimulantproducten. Slechts heel weinig daarvan kunnen bogen op een bewezen werking. In een poging deze ontwikkeling te structureren, vergadert de EU binnenkort over aanpassingen in de meststoffenwetgeving. Er moet een duidelijke normering komen. Ligt deze op Europees niveau vast, dan zal het kennisinstituut aansluitend passende toetsmethoden ontwikkelen. Op transparante wijze kunnen dan zaken als werkzaamheid en certificering van deze productgroep worden opgepakt. Volgens Woets de enige manier om het kaf van het koren te scheiden. “En daar is iedereen bij gebaat. Telers betalen voor een bepaald product, dus moet je de output kunnen bewijzen, vinden wij. Trouwens, met kennis krijgt het product zelf ook veel meer waarde.”
Die aangescherpte normering komt er absoluut aan. Echter, de adviseur vreest dat er zeker nog twee jaar overheen gaan voordat het instituut de nieuwe regels kan toepassen.
Werkbaar traject
Tot die tijd gebeurt toetsing van de biostimulanten enkel volgens het speciale RHP-programma. Een werkbare methode die de telers voldoende veiligheid biedt en tegelijkertijd best een behoorlijk traject inhoudt voor de producenten. Albert Dortmans van Orgapower herinnert zich dat hun Kernmix 100 pas een klein jaar na aanmelding groen licht kreeg. “Wij waren in 2016 de eerste die op de lijst met B-producten zijn geplaatst. Dit houdt in dat het product per batch wordt beoordeeld en gebruikt in alle gecertificeerde substraten. Het keniscentrum substraten controleert het eindproduct en het hygiënisatieproces. Terecht, als producent wil je immers een schoon en veilig middel leveren. Ook het certificeringstraject was pittig, maar reëel. Je merkt dat de protocollen worden ondersteund door een technische commissie met uitgebreide kennis van zaken. Over de vragen en testen was goed nagedacht.”
Gewaarborgde kwaliteit
De biostimulant van Orgapower bestaat uit een hoge concentratie Trichoderma harzianum Rifai stam T22 op gehygiëniseerde houtsnippers. Het uitgangsmateriaal is afkomstig van Koppert Biological Systems en heeft een Ctgb-erkenning als gewasbeschermingsmiddel. De toeslagstof wordt door de potgrond gemengd met een standaarddosering van 1% per volume. Vervolgens ontstaat er een mantel van schimmeldraden rond de wortel, die de mineralen- en wateropname door de wortels bevordert. Daarnaast is er minder ruimte voor schadelijke micro-organismen die in de bodem voorkomen.
“Het concept wordt al jaren wereldwijd breed ingezet, maar was in Nederland een beetje vergeten” vertelt Dortmans. “Er was geen Ctgb-erkenning en de drempel om deze aan te vragen was erg hoog. Tegelijkertijd kregen wij wel veel vragen van telers en substraatleveranciers, iedereen is op zoek naar manieren om duurzaam en weerbaar te telen. De sector probeert linksom of rechtsom tegemoet te komen aan de steeds strengere (residu)eisen van onder meer afnemers. Uiteraard op een veilige manier. En dat heeft RHP goed begrepen. Via de speciale categorie voldoet ze aan deze wens. Telers kunnen nu gebruik maken van toeslagstoffen waarvan de kwaliteit is gewaarborgd, van grondstofwinning tot bewerking en aflevering bij de gebruiker op het bedrijf. Teeltproeven hebben aangetoond dat er geen risico’s zijn voor een veilige toepassing in de teelt. Nee, het instituut doet geen uitspraak over de werking van een biostimulant. Dat laat ze vooralsnog over aan de markt zelf.”
Biostimulanten met ontheffing
Stoffen en/of micro-organismen die aan het gewas of aan de bodem/het substraat worden toegevoegd noemen we biostimulanten.
Ze hebben een gunstige invloed op het gewas doordat ze direct of indirect de opname van voedingsstoffen verbeteren of het gewas beschermen tegen abiotische stress. Hierdoor dragen ze bij aan een hogere opbrengst en een betere kwaliteit van het gewas. Biostimulanten zijn niet effectief tegen biotische stress (ziekte en plagen). Indien dat wel het geval is, is registratie van het middel als gewasbeschermingsmiddel noodzakelijk.
Op dit moment hebben vier biostimulanten ontheffing gekregen, te weten: Kernmix 100 van Orgapower, Biovin van Plant Health Cure, Fertisoil van N-xt Fertilizers en Agro-Fertiel van Ecostyle. De verwachting is dat dit aantal de komende tijd verder gaat toenemen. Zo verwacht het kenniscentrum binnenkort ook toeslagstoffen van Koppert te kunnen certificeren.
Samenvatting
Sinds 2016 is het mogelijk dat biostimulanten in substraten met RHP-keurmerk worden toegepast met behoud van het keurmerk van het eindproduct. Het kenniscentrum heeft speciaal voor deze groep toeslagmiddelen een keuringsprogramma opgesteld dat producten vooral test op plant- en humaanveiligheid. Een biostimulant mag geen negatieve effecten hebben op een teelt/gewas. Uitspraken over werking zijn lastig, een duidelijke afbakening van het concept ontbreekt namelijk. EU-commissies hopen binnenkort de normering aan te scherpen.
Tekst: Jojanneke Rodenburg. Foto’s: Studio G.J. Vlekke.
[/wcm_restrict]
