Voor telers die vooruit kijken

Vaker meten, kritisch kijken en tijdig bijsturen houdt pH én gewas in balans

Elke verandering in substraat beïnvloedt pH
448 0
Vaker meten, kritisch kijken en tijdig bijsturen houdt pH én gewas in balans

Teeltsubstraten dienen een gezonde plantontwikkeling mogelijk te maken vanaf het oppotten tot in de huiskamer. De juiste zuurgraad (pH) in het wortelmilieu is daarvoor essentieel. Dit aspect verdient extra aandacht bij veranderingen in substraatrecepturen en voedingsschema’s. Ook tijdens de teelt loont het om de pH te blijven volgen en indien nodig vroegtijdig bij te sturen.
[wcm_nonmember]
Voor het bekijken van deze content heeft u een lidmaatschap nodig, of log in als u al een lidmaatschap heeft.
[/wcm_nonmember]
[wcm_restrict]
Aandacht voor een goede pH in potsubstraten blijft actueel. Dat geldt expliciet voor de huidige trend van verduurzaming, die gepaard gaat met veranderingen in teeltmethoden en substraten. Hans Verhagen van kenniscentrum voor substraten RHP en René Janssen van Horticoop belichten de achtergronden en aandachtspunten.
“We komen uit een situatie waarin veen met afstand de voornaamste grondstof was van potgronden”, steekt Verhagen van wal. “Deze component wordt nu meer en meer vervangen door alternatieven, zoals kokos, bark en andere organische of minerale componenten. Ook van meststoffen is er een breder aanbod gekomen, waardoor voedingsschema’s regelmatig veranderen. Telers dienen zich te realiseren dat elke verandering aan de basis invloed heeft op de processen in de pot, inclusief de pH-balans. Raakt de balans verstoord, dan is die soms moeilijk te corrigeren. Dat kan grote gevolgen hebben voor de beschikbaarheid van voedingsstoffen en de plantkwaliteit.”

Het adsorptiecomplex

Sleutelen aan substraten zal niet per definitie tot problemen leiden. De beschikbaarheid van voedingsstoffen voor de plant wordt vooral bepaald door de wisselwerking tussen het bodemvocht en de daarin aanwezige nutriënten en het adsorptiecomplex: het complex van organische deeltjes en kleideeltjes dat in staat is om kationen (zoals Ca, Mg, K, Fe) aan zich te binden. Dit complex fungeert ook als pH-buffer. Wanneer de zuurgraad stijgt of daalt door opname van voeding door het gewas, wordt deze verandering geremd door de organische stof.
Omvang en bufferwerking van het adsorptiecomplex hangen nauw samen met de aard van het substraat. Veen is een relatief sterke buffer. Grondstoffen zoals kokos en bark, vormen doorgaans een veel zwakkere buffer. In mengsels met weinig veen reageert de pH daardoor sterker op specifieke bemestingscomponenten en het opnamegedrag door de plant.

Voortdurende verandering

Verhagen vergelijkt het adsorptiecomplex weleens met een ruilbeurs voor kationen. Wat er wordt uitgewisseld en in welke mate dat gebeurt, hangt af van de omstandigheden die het gewas (door selectieve opname van voedingsstoffen en afgifte van H+ en OH-) en de teler (via meststoffenkeuze, EC en de pH van het gietwater) creëren.
“Als gevolg van die dynamiek verandert de pH in de wortelomgeving voortdurend”, merkt de substraatspecialist op. “Meestal maar heel beperkt, vanwege de bufferwerking en het feit dat de teler is ingespeeld op het substraat.”

Afglijden of oplopen

Wanneer er problemen ontstaan die samenhangen met een duidelijk te lage of te hoge pH, ligt dat vrijwel altijd aan langdurige onoplettendheid, aan veranderingen in de bemesting (EC en/of meststoffen) of aan een voedingsschema dat niet goed is afgestemd op een nieuwe substraatreceptuur.
“Wat ik regelmatig tegenkom, is dat telers schuiven in het voedingsschema”, zegt productmanager substraat René Janssen van Horticoop. “Telers worden van verschillende kanten benaderd door vertegenwoordigers die een nieuwe, voordeliger of betere meststof aan de man willen brengen. Afhankelijk van de samenstelling en werkingsduur van de meststof kan zo’n verandering tot gevolg hebben dat de pH in het wortelmilieu gaat afglijden of oplopen.”
Verhagen vult aan: “In het begin merk je daar weinig van, vanwege de bufferwerking en de bekalking. Als de kalk na verloop van tijd is verbruikt, kan het echter hard gaan. Naarmate de pH verder van de streefwaarde af ligt, kost het meer moeite en tijd om deze bij te sturen.”

Ammonium en nitraat

Een bekend, maar nog steeds frequent voorkomend struikelblok is het (deels) vervangen van nitraatmeststoffen door goedkopere ammoniummeststoffen. Ook samengestelde meststoffen bevatten daarom vaak relatief veel ammonium. Planten nemen ammonium veel gemakkelijker en eerder op dan nitraat en staan daar H+ voor af, daardoor kan de pH sterk dalen. De Bemestingsadviesbasis Potplanten van Wageningen University & Research geeft voor de meeste potplantenteelten op organisch substraat een verhouding ammonium:nitraat aan van 10:90. Wordt daar zonder tegenmaatregelen stevig van afgeweken, dan heeft dat geheid gevolgen voor de pH.

Wisselingen in teeltfase

Wisselingen in teeltfase kunnen ook aanleiding geven om extra alert te zijn. Wanneer een gewas in de generatieve fase komt, geeft dat vaak een pH-verlaging. De planten nemen dan meer K+ op, waarvoor extra H+ wordt afgestaan.
Omgekeerd gaat een sterk vegetatieve groei dikwijls gepaard met een oplopende pH. Het achterliggende mechanisme hiervan is dat het gewas dan veel stikstof en daardoor meer nitraat opneemt om in de hoge stikstofbehoefte te voorzien, waarvoor de wortels relatief veel OH- afstaan. Dit reageert vervolgens met CO2 tot bicarbonaat (HCO3-), wat zichtbaar wordt in de voedingsanalyse. Een pH-verlaging in de teelt treedt ook vaak op bij stijging van de EC in het substraat. Als de aanvangs-EC in het substraat laag is en men meer gaat bemesten waardoor de EC toeneemt, zal de pH hierdoor dalen (zie figuur).

Basisbuffering sporenelementen

Verhagen wijst op het belang van een goede basisbuffering van het substraat in relatie tot sporenelementen. Voldoende basisbemesting met speciale potgrondbasismeststoffen zorgt voor een goede beschikbaarheid daarvan. Vervolgens zorgt de teler door bemesting dat de balans goed blijft. Het gevaar zit in bemesten met te weinig of te veel sporen.
“Een te lage gift valt niet direct op, omdat de buffer tot op zekere hoogte nalevert”, zegt hij. “Te veel is ook niet goed. In eerste instantie verdwijnt het teveel op de buffer. Bij een dalende pH kan het dan echter in een gevaarlijke overmaat vrijkomen, wat tot schade kan leiden. Een bekend geval is mangaanschade, dat ontstaat door overmaat aan vrije kationen als gevolg van een lage pH.”

Meten, kijken en overleggen

Een goede pH-balans tijdens de teelt vergt dus een goed gebufferd substraat, dat mede is afgesteld op het beoogde voedingsregime. Janssen: “Daarvoor inventariseren we altijd eerst met de teler wat zijn wensen zijn ten aanzien van de pH, EC en basisbemesting. Daar stemmen we ook de bekalking op af. Verder raad ik telers altijd aan om veranderingen in meststoffenkeuze of voedingsregimes met ons te bespreken. Wij weten vaak beter hoe de beoogde veranderingen zich tot het substraat verhouden en wat daarvan de mogelijke gevolgen zijn. Veel adviseurs missen die specifieke kennis.”
Verhagen heeft nog een laatste tip: “Frequent bemonsteren is een goede routine, maar heeft alleen zin wanneer de analysecijfers ook direct worden bekeken. Wanneer je dat pas doet wanneer er schade of groeiachterstand zichtbaar is, ben je meestal te laat. Als de analysecijfers dan boven tafel komen, is vaak precies aan te wijzen waar en wanneer het misliep. Dergelijke situaties zijn goed te vermijden, maar komen helaas met enige regelmaat voor. Alert zijn loont echt.”

Samenvatting

Veranderingen in substraatreceptuur, voedingsschema’s en meststoffenkeuze kunnen aanleiding geven tot een oplopende of dalende zuurgraad in het wortelmilieu. Dit is niet altijd direct zichtbaar, maar kan grote gevolgen hebben. Frequent bemonsteren en het kritisch volgen van analysecijfers blijft daarom geboden. Het is sowieso raadzaam om voorgenomen veranderingen te bespreken met de substraatleverancier.

Tekst en foto’s: Jan van Staalduinen.

[/wcm_restrict]

Gerelateerd

Geef commentaar

Uw e-mail adres wordt niet gepubliceerd