Tot 2014 was Thrips setosus in ons land onbekend. De hortensiateelt bracht daar verandering in. Sinds dat jaar worden de berichten over schade aan blad en bloem talrijker en werken telers, toeleveranciers en adviseurs aan oplossingen. Een geïntegreerde aanpak lijkt te werken, al blijft het volgens hydrangeatelers Piet Sonneveld en Pieter van de Ven zoeken.
[wcm_nonmember]
Voor het bekijken van deze content heeft u een lidmaatschap nodig, of log in als u al een lidmaatschap heeft.
[/wcm_nonmember]
[wcm_restrict]
Pieter van de Ven uit Boxtel was verbaasd toen hij een kleine drie jaar geleden gewasschade ontdekte in zijn hortensia’s. “Er was trips in het spel”, zegt hij. “Dat verraste me, want voor de bekende tripssoorten is dit gewas niet erg gevoelig. Sindsdien zoeken we samen met Koppert en leverancier Vos Capelle naar een effectieve bestrijdingsmethode op biologische basis.”
De Brabander teelt 1,8 ha snijhortensia (roze en blauw) in vier afdelingen, met afwijkende temperatuurregimes voor oogstspreiding vanaf eind maart tot half november. Vervolgens worden de planten afdelingsgewijs schoongespoten, gesnoeid en koud gezet tot het voorjaar. De zwaarst gestookte afdeling begon in januari weer aan het nieuwe groeiseizoen.
“Door het verschil in temperatuur is de tripsdruk niet overal gelijk, maar we moeten overal alert blijven”, legt de teler uit. “De afgelopen twee jaar hebben we in samenwerking met leveranciers proeven gedaan met de roofmijten limonicus en montdorensis. Wij gebruiken al californicus tegen spint en ik werk zo min mogelijk met chemische middelen.”
Proeven
De eerste proef (in 2016) vond plaats in een vak van 2.000 m2 waar de tripsdruk het hoogste was. “We begonnen rond 1 april en dat was eigenlijk al te laat”, blikt adviseur Mark Kolbach van Vos Capelle terug. “Limonicus sloeg weliswaar goed aan en hield de tripspopulatie redelijk binnen de perken, maar toen het warmer werd moesten we toch corrigeren. Dat was een leermoment; in 2017 begonnen we eind februari met uitzetten.”
De proef met limonicus werd in hetzelfde vak als het jaar daarvoor herhaald. In een ander vak van 1.200 m2 werd montdorensis uitgezet. “In chrysant werkt deze roofmijt goed tegen trips en hij pakt ook graag een spintje mee”, verklaart Kolbach. “Bovendien is hij wat voordeliger dan limonicus.”
Beide roofmijten deden het goed, bleek uit de tellingen. Toch moest de proef ook vorig jaar vroegtijdig worden beëindigd, omdat buiten de proefvakken stevig chemisch ingrijpen noodzakelijk was. Bespuitingen met Vertimec en Decis, gevolgd door vier keer Azatin in september, zorgden bedrijfsbreed voor een schoon einde van het seizoen.
Voorlopige conclusie van de teler en zijn adviseur: limonicus en montdorensis pakken Thrips setosus effectief aan, maar in het najaar blijft schoonspuiten noodzakelijk. Dit jaar wordt de biologie bedrijfsbreed ingezet, waarbij het accent ligt op montdorensis. In de warmste afdeling hingen de eerste zakjes half januari al aan de planten.
Alles uit de kast
Bij Sonneveld Hydrangea (4,2 ha snijhortensia) in Bleiswijk bestaat het vermoeden dat Thrips setosus al in 2014 op het bedrijf belandde via een partij stekken. Piet Sonneveld moest alles uit de kast halen om de plaag te bedwingen. Uiteindelijk lukte dat, maar de teler wil de situatie niet te rooskleurig voorspiegelen. “Thrips setosus is heel hardnekkig en je moet ontzettend goed blijven opletten”, zegt hij. “Als je dat niet doet, loopt het binnen de kortste keren opnieuw uit de hand.”
Dat gebeurde al snel in 2014 en pas in het late voorjaar van 2015 kreeg de teler de situatie enigszins onder controle, met hulp van gewasbeschermingsadviseurs John van Eijk van Biobest voor de biologische aanpak en Guido Halbersma van Van Iperen, die het bedrijf integraal ondersteunt.
“Thrips setosus vraagt om een gedegen en geïntegreerde systeemaanpak”, licht Halbersma toe. “Daarmee bedoel ik: schoon beginnen en schoon eindigen met een planmatige, gecombineerde inzet van middelen. Tijdens de teeltfase vormt biologisch bestrijding de basis. Dat houd je het langste vol door goed te scouten, wanneer nodig extra roofmijten in te zetten en wanneer dat onvoldoende helpt alsnog chemisch te corrigeren, bij voorkeur plaatselijk.”
Scoutprotocol
“We zijn door setosus anders gaan werken”, vervolgt Sonneveld. “Vanwege de complexiteit van ons bedrijf, met twee locaties en planten die rouleren tussen afdelingen buiten en in de kas, heeft Guido een nieuw scoutprotocol uitgewerkt dat efficiënter is en beter is afgestemd op de seizoenen. Er is ook een medewerker opgeleid die mij nu assisteert. De ureninzet voor scouten bleef gelijk, maar we krijgen een gedetailleerder en scherper beeld van de plaagdruk dan in het verleden.”
Het Bleiswijkse bedrijf zet vanaf eind maart drie soorten roofmijten in: andersonii tegen spint en cucumeris en swirskii tegen trips. Dat zowel de keuze voor deze soorten als het moment van inzetten anders is dan bij Van de Ven, komt mede door het afwijkende teeltschema en de routine om het seizoen te beginnen met schoonspuiten.
Sonneveld wijst erop dat ook de spuittechniek is verbeterd, zodat de trips beter wordt geraakt met de middelen die vooral in het voor- en najaar toepassing vinden. Naast de middelen die Van de Ven al noemde, gebruikt Sonneveld in het najaar vier keer Winner om de planten schoon te laten overwinteren in de kas. “Dat geeft in het voorjaar meer tijd en rust om de biologische bestrijders te introduceren”, zegt hij tot besluit.
Andere gewassen
Tot nu toe houdt Thrips setosus vooral huis in Hortensia. Technisch adviseur Irma Lukassen van Certis en sierteeltconsultant Ellen Klein van Koppert stellen echter vast dat het aantal meldingen over (mogelijke) aantastingen in andere teelten toeneemt. “Het zou onder andere gaan om chrysant, roos en lelie”, aldus Lukassen. “We hebben nog geen goed beeld van de precieze verspreiding en schade buiten de hortensiateelt, maar houden dat uiteraard scherp in de gaten. Ieder gewas vraagt om een eigen aanpak en het helpt wanneer telers en adviseurs ons daar vroeg bij betrekken.”
Samenvatting
Sinds 2014 heeft Thrips setosus zich snel verspreid in de hortensiateelt, waarin het aanzienlijke schade kan aanrichten. Volgens meldingen zou deze trips ook in chrysant, roos en lelie voorkomen. Met een systematische, geïntegreerde aanpak lukt het om de plaag de baas te blijven. Deze is gebaseerd op schoon beginnen, biologisch bestrijden, corrigeren met natuurlijke of chemische middelen en schoon eindigen. Ook de spuittechniek verdient aandacht.
Leefwijze, schadebeeld en biologische bestrijders
Thrips setosus komt uit Japan en staat ook bekend als Japanse bloementrips. De eerste waarneming in Nederland was in 2014.
Volwassen vrouwtjes lijken uiterlijk op Echinotrips, maar zijn veel beweeglijker en richten meer schade aan. Vrouwtjes en larven bevinden zich voornamelijk aan de onderzijde van het blad en vliegen nauwelijks. De mannetjes zijn kleiner, bruin en in tegenstelling tot de vrouwtjes wel op de vangplaten te vinden.
Setosus veroorzaakt zuigschade aan het oppervlakteweefsel van bladeren en bloemen. Deze uit zich in zilverkleurige strepen met kleine, donkere stippen. In stuifmeel heeft deze soort geen interesse. Bij lage temperaturen en korte dagen gaan de tripsen in rust, om in het voorjaar weer actief te worden.
Roofmijten onder de loep
In de winter van 2016-2017 onderzocht Koppert Biological Systems de effectiviteit waarmee de roofmijten A. swirskii, A. limonicus en T. montdorensis de Thrips setosus bestrijden. Van dit trio werd swirskii als minste en limonicus als beste beoordeeld. Sierteeltconsultant Ellen Klein: “Swirskii at minder en houdt niet van de lage temperaturen die in deze teelt voorkomen. Limonicus was duidelijk actiever en at het meeste. Bovendien vermeerdert hij zich goed. Op grond van dit onderzoek en de praktijkervaringen tot op heden geven wij de voorkeur aan limonicus in de late, ongestookte teelt en aan montdorensis in de vroege, gestookte teelt.”
Tekst en foto’s: Jan van Staalduinen.
[/wcm_restrict]
