Voor telers die vooruit kijken

’s Nachts spuiten kan potentiële schade aan gewas reduceren

Schade door gewasbescherming niet zeldzaam
822 0
’s Nachts spuiten kan potentiële schade aan gewas reduceren

Telers merken regelmatig dat het gewas een terugslag krijgt bij bespuitingen met gewasbeschermingsmiddelen. Komt dat door de werkzame stof, door de hulpstoffen of door iets anders? Niet alle vragen zijn te beantwoorden, maar er is wel een algemene werkwijze die potentiële schade kan reduceren: ’s nachts spuiten.

[wcm_nonmember]
Voor het bekijken van deze content heeft u een lidmaatschap nodig, of log in als u al een lidmaatschap heeft.
[/wcm_nonmember]
[wcm_restrict]

Vrijwel elke bespuiting zet de plant tijdelijk stil. Schattingen in de gewasbeschermingsindustrie lopen op tot 85% van de gevallen. Alleen sommige contactfungiciden en lage concentraties bladmeststoffen hebben geen effect.
Dat betekent niet dat de teler dan altijd iets aan het gewas ziet, want in dat geval is de derving al aanzienlijk: de eerste tien procent zie je namelijk niet. Maar ook bij een paar procent opbrengstverlies praat je al over veel geld.

Aangrijpingspunt

Remming van het gewas door gewasbescherming is een lastig onderwerp: er is heel weinig wetenschappelijke literatuur over en al helemaal niet over kasgewassen.
Er is wel veel kennis over de werking van herbiciden. Die zijn bedoeld om ongewenste planten te doden op een selectieve manier, namelijk zodanig dat het gewas er geen of weinig schade door ondervindt. Hun werking berust op remming van essentiële biochemische processen, vaak via één enkel enzym. Ze binden aan een ‘target site’ en voorkomen daarmee het normale functioneren van het enzym, waardoor bijvoorbeeld de fotosynthese of de vorming van aminozuren of vetzuren wordt geremd. Gewassen die resistent zijn tegen het betreffende middel vertonen een verandering in het aangrijpingspunt, zodat de werkzame stof niet kan hechten of breken de werkzame stof zo snel af dat die alleen nog in heel lage concentraties de doel-site weet te bereiken.

Schadelijke stof afbreken

Het hangt sterk van de omstandigheden af hoe goed een plant de potentieel schadelijke stof kan afbreken. Uit onderzoek met het herbidice fenmedifam bij biet is bekend dat een gewas dat in het voorjaar ’s morgens een planttemperatuur heeft van 0°C en ’s middags door hoge instraling 25°C, een zodanig stressniveau kent dat de afbraak slecht lukt. Een bespuiting onder die omstandigheden zet de plant wel een week stil.
Nu is het voor de hand liggend dat een herbicide – immers een plantendoder – voor het gewas sterk remmend uit kan pakken. Maar remming doet zich ook voor bij fungiciden en insecticiden. Soms ligt dat aan de werkzame stof die fytotoxische (= giftig voor planten) kanten heeft. Triazolen zijn wat dit betreft berucht. Maar de meeste schade geven waarschijnlijk de hulpstoffen in het gewasbeschermingsmiddel, met name olieachtige formuleringen.
In alle gevallen is het goed om bij de bespuiting rekening te houden met het stressniveau van het gewas: een gestreste plant is vatbaarder omdat zijn gebruikelijke afbraakmechanismen niet optimaal werken.

Parallelimporteur

Voor het goede beeld: een kilo Round-up bevat 360 gram glyfosaat, de werkzame stof. De overige 640 gram bestaat onder andere uit oplosmiddelen, stabilisatoren, uitvloeiers, stickers en dergelijke.
Bij de toelating van een middel moet de fabrikant onderzoeksgegevens overleggen over fytotoxiciteit waarbij de hele formulering is getest. Na de toelating heeft hij echter speelruimte: 10% van de hulpstoffen mag worden gewijzigd. Dat kan op meerdere manieren problemen geven. Een teler die gewend is middelen van verschillende merken te mengen, kan opeens voor verrassingen komen te staan: de ene keer gaat het goed, de volgende keer zijn er problemen, omdat de formulering van een middel net iets is veranderd.
Verder betreft een toenemend aantal middelen parallelimport. Ze zijn afkomstig van bedrijven die zijn gespecialiseerd in generieke middelen: zij kopen stoffen waarvan het patent is verlopen en passen die in een nieuwe formulering in. Dat kan onverwachte effecten geven. Bij fenmedifam heeft de oorspronkelijke ontwikkelaar tien jaar gezocht naar de minst schadelijke oplosmiddelen. Een parallelimporteur is er niet in gespecialiseerd om zulke lange onderzoekstrajecten op te zetten.

Bescherming waslaag

Ook de hulpstoffen kunnen essentiële processen, zoals de fotosynthese, blokkeren. Veel hangt af van in hoeverre de plant het middel opneemt. Bij contactinsecticiden is opname door de plant niet nodig, maar er zal toch altijd wat van het middel binnenkomen. Bij systemische middelen is het juist wel gewenst dat er veel werkzame stof het vaatstelsel weet te bereiken.
Veel planten beschermen zichzelf met een waslaag op de bladeren. De dikte hiervan is sterk afhankelijk van de omstandigheden. Lage luchtvochtigheid, hoge instraling (vooral van UV) en vochttekort bij de wortels bevorderen sterk de wasvorming. Dat gebeurt vooral aan de bovenkant van de bladeren. Planten in de kas hebben in het algemeen veel minder was dan in de open lucht, omdat er weinig UV is en de luchtvochtigheid veelal niet laag is. De waslaag werkt beschermend tegen fytotoxische middelen; daardoor zijn knoppen goed beschermd maar bloemen niet omdat ze vaak nauwelijks een waslaag hebben.
Die laag belemmert tevens opname van wateroplosbare middelen (dit is 95% van het totaal aantal middelen). Daarom is het beter om middelen die de plant in moeten, aan de onderkant van het blad te spuiten. Dat is wel lastig te realiseren. Wat verder pleit voor bespuiting van de onderkant is het feit dat daar veelal de schadelijke insecten en mijten zitten.

Niet via huidmondjes

Een misverstand is dat middelen veelal via de huidmondjes binnen zouden komen. Die zijn daarvoor te klein in vergelijking met de spuitdruppels. Olieachtige stoffen kunnen wel tijdelijk de huidmondjes verstoppen, maar er zijn geen aanwijzingen uit het onderzoek dat dit tot schade leidt.
De oplosmiddelen met daarin de werkzame stof komen bij olieachtige formuleringen via het ingebedde was het blad binnen (zie figuur); de werkzame stof blijft vaak in de was achter (blijkt uit onderzoek bij Decis, Karate en Sumidin Super).
Wateroplosbare middelen moeten door de cutinelaag heen. Dit betekent dat voor een goede opname van olieachtige of waterachtige middelen verschillende omstandigheden nodig zijn. De olieachtige hebben droog blad nodig; de wateroplosbare juist vochtige omstandigheden en een actieve sapstroom.

Remming enzymprocessen

Hulpstoffen in de formulering kunnen de waslaag beschadigen. De plant moet die dan repareren en dat kost energie. Daarnaast kunnen deze stoffen tot remming van enzymprocessen leiden. De plant gaat de stoffen afbreken en ook dat kost energie. De schade ligt dus op drieledig vlak.
Systemische middelen kunnen nog op een andere manier tot schade leiden. Ze worden getransporteerd naar delen met de meeste verdamping en kunnen daar te veel ophopen. Dat kan soms tot zichtbare schade leiden (wit- of bruinverkleuring), vooral bij een hoge instraling. Verder bereiken ze jonge delen niet omdat die nauwelijks verdampen en daar zitten juist vaak de luizen. Die kun je daarom niet met een systemisch middel aanpakken.

’s Nachts werken

In de praktijk hoor je ook nog wel eens dat schade bij gewasbescherming mede het gevolg kan zijn van nat worden of afkoelen van het gewas. Daar zijn uit onderzoek geen aanwijzingen voor.
Bij veel middelen is ’s nachts spuiten een manier om problemen te voorkomen; met spuitrobots is dat gemakkelijk uitvoerbaar. Het gewas is dan goed van vocht voorzien en niet gestrest. Daardoor kan het fytotoxische stoffen beter afbreken. Ook is ’s nachts de verdamping gering vergeleken met overdag zodat systemische middelen zich niet ophopen. Tot slot breken insecticiden snel af bij een hoge instraling. ’s Nachts werken ze dus beter.

Samenvatting

Elke bespuiting leidt tot remming van het gewas. Soms ligt dat aan de werkzame stof, maar meestal aan de hulpstoffen. Ze leggen essentiële enzymprocessen tijdelijk stil. Veel hangt af van in hoeverre het middel de plant binnendringt. ’s Nachts spuiten vermindert het risico.

Tekst: Erno Bouma (Agrometeorologisch Adviesbureau), Tijs Kierkels en Ep Heuvelink (Wageningen University & Research). Foto’s: Wilma Slegers en Wageningen University & Research.[/edd_restrict]

[/wcm_restrict]

Gerelateerd

Geef commentaar

Uw e-mail adres wordt niet gepubliceerd