[wcm_nonmember]
Voor het bekijken van deze content heeft u een lidmaatschap nodig, of log in als u al een lidmaatschap heeft.
[/wcm_nonmember]
[wcm_restrict]
Af en toe zie je het nog wel eens: de zijwand van een oude kas slordig met krijt bespoten. Onregelmatig, dikke en dunne lagen wisselen elkaar af. Zo zag krijten er in een ver verleden uit. Telers gebruikten krijt op het kasdek om het gewas te beschermen tegen te felle zon. Dat lukte zeker, maar de laag sleet snel en het gewas reageerde met een onregelmatige stand op al die dikke en dunne plekken. Bovendien was de kas aan het eind van het seizoen ook weer niet zo gemakkelijk schoon te krijgen.
De eerste stap was dan ook de verbetering van het krijt tot een product dat egaal op te brengen was, beter bleef zitten en weer goed te verwijderen was. Dit was het startpunt van de ontwikkeling van verwijderbare coatings met een steeds grotere variatie. Producten die niet alleen meer licht tegenhouden, maar dat ook selectief kunnen per lichtkleur, of het beter in het gewas verdelen. En de laatste jaren komen er middelen op de markt die licht niet weren, maar zorgen dat er juist méér licht de kas binnenkomt.
Doorbraak
De eerste coating die je geen ‘krijt’ meer kon noemen, was ReduSol van Mardenkro in 1992. Sindsdien loopt dit bedrijf steeds voorop bij de introductie van nieuwe middelen. Die koploperspositie is te danken aan het feit dat dit bedrijf veel geld steekt in onderzoek en ontwikkeling. Elke nieuwe stap wordt overigens meestal spoedig gevolgd door de concurrenten. Op de Nederlandse markt zijn dat Hermadix (gedistribueerd door Royal Brinkman) en Sudlac.
Moderne coatings bestaan uit een pigment en een bindmiddel. Vanwege die laatste component moet je ze aan het eind van het seizoen met een speciaal reinigingsmiddel verwijderen. Doe je dat niet, dan slijt wel het pigment, maar niet het bindmiddel. De precieze samenstelling is een goed bewaard geheim. Overigens bestaat gewoon ‘krijt’ ook nog steeds: spuitkrijt bevat geen bindmiddel.
De moderne lichtwerende coating is zo geformuleerd dat hij heel egaal op te brengen is en het hele seizoen blijft zitten. Hij slijt wel een beetje, zeker als het veel regent. In een (sub)tropisch klimaat met veel neerslag gaat dat veel sneller en daarom bestaan voor die omstandigheden slijtvastere formuleringen. De teler kan de mate van lichtwering kiezen; die hangt samen met de dikte van de laag. Soms worden meerdere lagen over elkaar heen gezet.
Overigens bestaat gewoon ‘krijt’ ook nog steeds: spuitkrijt bevat geen bindmiddel.
PAR-licht
Eind vorige eeuw is het wetenschappelijke inzicht in de invloed van licht op plantengroei sterk toegenomen. Ook telers maakten kennis met het begrip PAR: dat is het deel van het lichtspectrum dat de plant benut voor fotosynthese. De golflengte van PAR-licht ligt tussen 400-700 nm. Boven de 700 nm begint de warmtestraling (infrarood).
Veel gewassen kunnen heel wat PAR-licht nuttig omzetten in productie, maar raken in de stress bij veel warmtestraling. Met dat inzicht zijn de ontwikkelaars van coatings aan de slag gegaan. In 2004 kwam het eerste hittewerende middel op de markt: het houdt infrarood voor een flink deel buiten terwijl er slechts een gering lichtverlies is in het PAR-gebied (12-15%).
Diffuus licht
Dat vergrootte de sturingsmogelijkheden aanmerkelijk. Zeker bij gewassen die houden van veel licht, maar bij hitte snel kwaliteitsproblemen krijgen, zoals paprika of kleinbloemige roze chrysanten.Tegelijkertijd was dit een coating met een verhaal. Rond 2004 kenden nog niet zo veel telers het begrip PAR-licht. Zij moesten eerst worden bijgepraat en overtuigd.
Dat speelde nog meer bij de volgende stap in de ontwikkeling: de diffuse tijdelijke coatings. Onderzoek van Wageningen University & Research (WUR) heeft uitgewezen dat vrijwel elk gewas baat heeft bij diffuus licht. Productie en kwaliteit profiteren van de betere horizontale en verticale lichtverdeling. De kop van het gewas wordt minder heet en de middenbladeren worden productiever.
Combi-coating
Het pigment in diffuse coatings stuurt het licht alle kanten op. Dit gaat gepaard met enig lichtverlies (variërend van 5 tot 10%, afhankelijk van het merk). In principe profiteert het gewas het hele jaar door van diffuus licht. Maar de winst wordt in lichtarme perioden gedrukt door het lichtverlies. Daarom is het bij elk gewas een puzzel in welke maand het middel moet worden aangebracht. Bij potorchideeën en groene planten is dat al half februari, bij groenten en snijbloemen eind april.
Al vrij spoedig na de introductie zijn de hittewerende en de diffuse eigenschappen gecombineerd tot een coating die beide eigenschappen heeft. Deze is erg populair bij buitenlandse bedrijven die met een landklimaat te maken hebben, maar ook in Nederland neemt het gebruik toe, zeker na de hete droge zomer van 2018.
Zoals gezegd: producten met een verhaal. In Nederland en België is het algemene kennisniveau onder telers hoog; ze zijn goed in staat de voordelen van verschillende soorten tijdelijke coatings af te wegen. Wereldwijd echter is de lichtwerende versie nog steeds het meest populair, terwijl nogal wat gebruikers meer productie en een betere kwaliteit zouden kunnen halen met een hittewerende, diffuse of combi daarvan, zo geven leveranciers aan.
Weren per lichtkleur
Naarmate uit wetenschappelijk onderzoek steeds duidelijker werd dat de kleur van het licht grote invloed heeft, zijn er kleurspecifieke coatings ontwikkeld. De hittewerende versie was in feite een voorloper daarvan: hij houdt het spectrum boven de 700 nm tegen. Met zorgvuldige gekozen pigmenten is het mogelijk ook binnen het PAR-gebied bepaalde golflengtes tegen te houden.
Inmiddels gebruiken rozentelers over de hele wereld een versie die een deel van het blauwe licht weert; daardoor worden de rozenstelen een stuk langer. Een groenwerende versie zou juist remmend kunnen werken op de lengtegroei, bijvoorbeeld bij pot- en perkplanten.
De verklaring daarvoor is als volgt: vroeger dachten wetenschappers dat alleen de verhouding tussen rood en verrood licht de lengtegroei stuurt, maar het blijkt dat ook de verhouding tussen groen en blauw van belang is. Daarop is de werking van deze twee selectieve coatings gebaseerd. Remming van blauw kan meer lengte geven, remming van groen drukt de lengtegroei juist.Met specifieke pigmenten zouden nog andere delen van het lichtspectrum geremd kunnen worden.
Meer licht in de kas
Bovenstaande coatings hebben als gemeenschappelijk kenmerk dat ze iets weren: het hele spectrum of een deel ervan. Een heel nieuwe stap was daarom de ontwikkeling van middelen voor bestaande kassen die ervoor zorgen dat er juist méér licht de kas binnenkomt. Er zijn nu twee soorten op de markt: anti-condens en anti-reflectie.
De eerste werkt als volgt: het kasdek is een groot deel van het jaar bedekt door condens. Of dat tot lichtverlies leidt, ligt aan de manier van condenseren. Druppels kosten licht: hoe groter die zijn, hoe meer lichtverlies. De anti-condenscoating voorkomt druppelvorming en zorgt in plaats daarvan voor een dunne waterfilm op het glas. Dat verbetert de lichtinval met maximaal zo’n 5%. Deze coating zit aan de binnenkant van het dek.
Coating door loonwerker
Zonlicht dat op het kasdek valt, kan er doorheen gaan (transmissie), weerkaatsen (reflectie) of worden geabsorbeerd in het glas, resulterend in lichte opwarming. Samen is dat altijd 100% van de zonnestraling. Dus als je de reflectie weet te verminderen, verbetert de transmissie. Dat inzicht staat in een rapport van WUR uit 2006 en sindsdien laten telers bij nieuwbouw het glas bijna altijd voorzien van een fabrieksmatige AR-coating.
Tien jaar later kwam de oplossing voor bestaande kassen: een coating die kan worden aangebracht door de loonwerker. Daarvoor moet hij wel veel preciezer te werk gaan dan bij lichtwerende coatings. Er moet namelijk een bepaalde verhouding zijn tussen de golflengte van het licht en de ‘dikte’ (enkele nanometers) van de laag. De precieze dikte is alleen te realiseren met een spuitmachine, dus niet met de hand of met de helikopter.
De opmars van beide transmissieverbeterende coatings verloopt nog niet zo snel. Wat daarbij wellicht meespeelt: je ziet met het blote oog niet dat er iets op het kasdek zit. En je moet er maar op vertrouwen dat hij zijn werk doet. Daar is overigens geen twijfel over. Het Lichtlab van WUR, internationaal gezien de standaard, komt bij metingen steeds uit op die paar procent lichtwinst.Bij de transmissieverbeterende coatings staat verwijderbaarheid niet meer voorop. Sterker: het is lucratiever als ze zo lang mogelijk hun werk kunnen doen. Maar ze zijn toch in dit overzicht opgenomen, omdat het om oplossingen voor bestaande kassen gaat.
Slimme coatings
Voor de toekomst kunnen zogenaamde smart materials een rol gaan spelen. Wageningen University & Research, Eindhoven University of Technology en bedrijfsleven onderzoeken of materialen uit andere industrieën meerwaarde kunnen hebben voor de glastuinbouw. Het gaat bijvoorbeeld om materialen die zichzelf aan de omstandigheden aanpassen, zoals een coating die bij lage temperaturen helder is, en bij hogere het licht verstrooit (scattering). Of een materiaal dat automatisch donkerder wordt bij een hogere infrarood instraling.
Ook valt te denken aan fluorescente coatings die een deel van het licht absorberen en naar zonnepanelen geleiden. Zulke materialen zijn al bekend, maar in het verleden terzijde geschoven omdat ze niet zo stabiel zijn. Voor een tijdelijke toepassing zou dat echter geen bezwaar zijn.
Samenvatting
Parallel aan de ontwikkeling van kennis over de invloed van licht op plantengroei, is een steeds groter palet aan coatings voor bestaande kassen ontstaan. Eerst is het ‘krijt’ verbeterd: een moderne lichtwerende coating is egaal aan te brengen, blijft goed zitten en is weer goed te verwijderen. De volgende stap was de hittewerende coating, die PAR-licht doorlaat en infrarood weert. Daarna kwamen de diffuse middelen, gevolgd door wering van specifieke lichtkleuren. Volgende stap is verbetering van de lichtinval. Voor de toekomst staan ‘slimme’ coatings op stapel.
Tekst: Tijs Kierkels.Beeld: Van der Waay, Pieternel van Velden, Wilma Slegers.
[/wcm_restrict]
