Schaalvergroting is in de glastuinbouw aan de orde van de dag. Het fenomeen is bepaald niet nieuw en zal zich naar alle waarschijnlijkheid onverminderd, of misschien wel versneld, blijven voortzetten. Wat zijn de drijvende krachten achter deze beweging en wat brengt die teweeg? Aan de hand van vijf prikkelende stellingen geven vier deskundigen – voor een deel op basis van eigen ervaringen – hun mening over de voors en tegens van schaalvergroting.
[wcm_nonmember]
Voor het bekijken van deze content heeft u een lidmaatschap nodig, of log in als u al een lidmaatschap heeft.
[/wcm_nonmember]
[wcm_restrict]
Die vier deskundigen zijn: directeur Sjaak Bakker van Wageningen University & Research (business unit Glastuinbouw), senior beleidsmedewerker Leo Oprel van het Ministerie van Economische Zaken, directeur Jos Stoit van Plantenkwekerij van der Lugt, dat momenteel samen met Plantenkwekerij Ammerlaan en Grow Group fuseert tot Plantise, en directeur Richard ter Laak van Ter Laak Orchids.
Stelling 1: Schaalvergroting zet een rem op innovatie
Nederlandse glastuinbouwbedrijven worden groter, maar dat geldt niet voor de afzetmarkt. Die beperkt zich hoofdzakelijk tot Europa, waar de bevolking nauwelijks groeit. Dientengevolge blijft het areaal min of meer constant en daalt het aantal bedrijven gestaag. En minder ondernemers betekent minder ruimte voor nieuwe ideeën, concepten en technologische innovatie.
Sjaak Bakker: “Het hangt er van af waarnaar je kijkt. Bij producten met een lange levenscyclus kan dat best het geval zijn. Kassen gaan 15 tot 20 jaar mee en idealiter moet er elk jaar 1/15de tot 1/20ste deel worden vervangen. Als je 10.000 bedrijven hebt van 1 ha, geeft dat een grotere diversiteit in vragen, wensen en keuzes dan bij 1.000 bedrijven van 10 ha. Die laatste renoveren natuurlijk ook op grotere schaal. Ik kan me voorstellen dat innovaties die te maken hebben met kassen en infrastructuur, zoals constructie, kasdekmaterialen en verwarmingssystemen, dan minder snel gaan dan bij producten met een kortere levenscyclus, zoals scherminstallaties. Daar staat tegenover dat grote bedrijven vaak kapitaalkrachtig zijn en meer mogelijkheden hebben voor ‘tailor made’ onderzoek.
”
Leo Oprel is het met Bakker eens. “Groot en klein zijn relatieve begrippen”, vult hij aan. “Bij sommige producten kun je met 1 ha marktleider zijn, terwijl je met 40 ha tomaten nog geen echte vuist kunt maken. In het algemeen kun je wel stellen dat schaalvergroting gepaard gaat met toenemende specialisatie en efficiëntie en met afnemende flexibiliteit. Dat laatste hoeft geen bezwaar te zijn, maar het is wel goed om je dat te blijven realiseren. Met versproducten ben je per definitie kwetsbaar.”
“Ik ben het niet met de stelling eens”, zegt Richard ter Laak. “Grote bedrijven hebben meestal meer slagkracht én meer veerkracht bij financiële tegenslag. Wij innoveren voortdurend. Na geslaagde, kleinschalige proeven bij WUR en op ons bedrijf bouwen wij nu een Daglichtkas van 5 ha. Kort geleden is ons managementteam uitgebreid met een R&D specialist, die zich fulltime richt op onderzoek en innovatie in teelt en techniek. Dat vindt deels plaats in drie R&D afdelingen van 80 m2, elk met een eigen klimaatsturing. Kleine bedrijven moeten het zonder dergelijke faciliteiten stellen en zullen het steeds moeilijker krijgen om voorop te blijven lopen.”
Ook Jos Stoit, die het fusieproces van opkweekgigant Plantise mag leiden, ziet meer innovatieruimte ontstaan door schaalvergroting. “Wij zijn juist samengegaan om meer R&D te kunnen ontplooien. Je moet meebewegen met de andere schakels in de keten. De marges in onze thuismarkt staan onder druk, terwijl klanten steeds hogere eisen stellen aan de opkweekprocessen en de bedrijfshygiëne. Na de fusie kunnen we nog meer maatwerk bieden en efficiënter werken vanuit de bestaande locaties. Daarnaast gaan we gezamenlijk investeren in nieuwe markten.”
Stelling 2: Schaalvergroting draait vooral om marktpositie en minder om kostprijs
Tientallen jaren was kostprijsverlaging de voornaamste aanjager van schaalvergroting. Die kan echter niet blijven dalen. Verdere schaalvergroting maakt misschien geen lagere kostprijs mogelijk, maar kan wel wenselijk zijn om de marktpositie van het bedrijf te versterken.
Hierover zijn de heren het redelijk met elkaar eens. “Meer aandacht voor afzet en marktpositie is sowieso goed. Voorheen kwamen vraag en aanbod samen op de veilingen, maar tegenwoordig moet de onderneming dat vooral zelf regelen”, stelt Bakker vast. “Schaalgrootte maakt het makkelijker om structureel samen te werken met afnemers en de risico’s wat te spreiden. De kosten per vierkante meter kunnen daarbij niet blijven dalen, omdat voortgaande groei gepaard gaat met hogere kosten voor management en gekwalificeerde specialisten.”
“Dat klopt, maar kostenbeheersing blijft altijd een belangrijk aandachtspunt”, vult Ter Laak aan. “De richting en het tempo van bedrijfsontwikkeling worden door veel factoren bepaald. Wij willen een grote, sterke partij zijn voor partners in de keten, die zelf ook steeds groter worden. Dat vraagt om grip op kwaliteit bij toenemende volumes en het vermogen om nieuwe concepten te ontwikkelen en goed in de markt te zetten. Dat kun je alleen volhouden met een team van professionals.”
“Schaalvergroting maakt verdere professionalisering mogelijk”, bevestigt Stoit. “Wij willen het opkweekvak verder ontwikkelen door de kennis en kunde van de afzonderlijke bedrijven te bundelen, daar focus in aan te brengen en gericht te investeren in verhoging van onze toegevoegde waarde voor de keten.”
“Dat is allemaal waar, maar blijf de kostprijs ook op lange termijn in de gaten houden”, voegt Oprel toe. “Het Nederlandse kassenbestand is behoorlijk verouderd. Nieuwe kassen, teelt- en energieconcepten bieden wel degelijk een hoger productiepotentieel bij gelijke of lagere kosten per vierkante meter. Ik pleit daarom voor hernieuwde aandacht voor collectieve vraagstukken die wat verder van de individuele bedrijven af staan. Als de sector daar niet collectief in blijft investeren, zal dat ten koste gaan van de technologische voorsprong die gedurende tientallen jaren is opgebouwd. Dergelijke investeringen zijn tot op de dag van vandaag altijd met rente terugverdiend!”
Stelling 3: Het is goed dat schaalvergroting ook plaatsvindt in de veredeling en opkweek
Het lijkt gesneden koek, maar er zijn ook tegengeluiden hoorbaar waarin vrees doorklinkt voor afnemende diversiteit van het aanbod, minder keuzevrijheid en dwingende machtsposities.
“Schaalvergroting in onze branche hoeft niet te leiden tot verschraling in aanbod en keuzemogelijkheden”, meent Stoit. “Door vanuit meerdere locaties te werken, blijven wij dat bewust faciliteren.”
“Veredelen is door de opkomst van nieuwe technieken bijzonder kapitaalintensief geworden en dat pleit voor schaalvergroting en samenwerking”, merkt Bakker op. “De noodzaak om de snel groeiende wereldbevolking in een veranderend klimaat te blijven voeden, vraagt daar ook om. Nederland speelt op dit gebied nog steeds een vooraanstaande rol en het is goed om die positie te borgen. In de sierteelt sluit ik verschraling van het aanbod niet uit, maar het is de vraag in hoeverre dat voelbaar wordt. Het huidige aanbod is ongekend divers.”
Oprel ziet weinig beren op de weg. “Het veredelingswerk in de sierteelt was zeer versnipperd en we zien nu enige consolidatie tot stand komen. Dümmen Orange heeft het voortouw genomen om door krachtenbundeling en diepte-investeringen in nieuwe technologie tot betere resultaten te komen, maar we moeten afwachten wat daaruit gaat voortkomen. Ik ben benieuwd hoe het plaatje er over vijf of tien jaar uitziet. Over de groenten maak ik mij geen zorgen. De grote groenteveredelaars houden elkaar behoorlijk in evenwicht. Monopolies zie ik niet, wel specialiteiten.”
“Minder partijen in veredeling en opkweek betekent wel dat zij meer macht naar zich toe kunnen trekken”, zegt Ter Laak. “Dat kan gevolgen hebben voor onze inkooppositie. Zoals Jos Stoit eerder terecht opmerkte, is het voor elke schakel nodig om mee te bewegen met de keten en toegevoegde waarde te blijven creëren. Alleen dan kun je een gerechtvaardigde marge afdwingen.”
Stelling 4: Schaalvergroting roept ook een tegenbeweging op
Wie niet mee wil of kan groeien met zijn naaste collega’s, raakt op termijn achterop en moet iets anders verzinnen. Er zijn genoeg niches in de markt die ruimte bieden aan creatief ondernemerschap.
Deze stelling roept weinig discussie op. “Klopt als een bus en het is volkomen eigen aan marktwerking”, stelt Ter Laak.
“Nichespeler worden is een natuurlijke en gezonde reactie op schaalvergroting. Ik juich dat zonder meer toe”, vult Stoit aan.
Oprel: “Er zijn veel manieren om met een relatief klein bedrijf toch een goed inkomen te genereren. Koppert Cress is beslist niet het enige voorbeeld wat me daarbij te binnen schiet. Kijk eens wat er is gebeurd met de aardbeienteelt onder glas, met ander kleinfruit en zelfs kersen. Die keuzes kwamen niet altijd voort uit luxe, maar veeleer uit de noodzaak of wens om een andere weg in te slaan.”
“De markt voor hoogwaardige producten blijft groeien en dat gebeurt in een groot deel van de wereld. Ik zie wel een aantal voorwaarden voor succes: uniciteit en een zekere toppositie. Als je over beide beschikt, staat niets een hoge marge in de weg”, meent Bakker.
Stelling 5: Het menselijke aspect wordt bij schaalvergroting vaak vergeten
Familiebedrijven worden groter, er komt meerhoofdig management en voor je het weet berust de leiding bij iemand van buiten die niet met het bedrijf is vergroeid. Kan toenemende afstand tussen de top en de werkvloer de continuïteit in gevaar brengen?
Ook hierover heerst grote eensgezindheid, maar dan in ontkennende zin. “Wie er aan de touwtjes trekt moet niet uitmaken”, zegt Oprel. “Om welke functie het ook gaat, het draait altijd om persoonlijke kwaliteit. Uiteraard is er wel op elk niveau een goed benul nodig van de bedrijfsprocessen en dat vereist afstemming en overleg. Op kleine bedrijven gebeurt dat vaak aan de koffietafel, op grote bedrijven zal je dat meer moeten structureren.”
“Ik ben in loondienst, maar zie deze onderzoeksinstelling toch als mijn eigen bedrijf”, aldus Bakker. “Zozeer ben ik er inmiddels wel mee vergroeid. Nee, ik zie de menselijke factor niet als de achilleshiel van schaalvergroting. Wel als een aandachtspunt dat specifieke aandacht verdient én krijgt.”
“Daar ben ik het roerend mee eens”, valt Stoit bij. “Wij hebben het menselijke aspect zelfs benoemd als een kernwaarde van het fusiebedrijf. In kleine familiebedrijven is er vaak geen gerichte aandacht voor de instroom, doorgroei en uitstroom van mensen. Bij ons is die aandacht er structureel. Het is een uitdaging om jonge mensen te blijven boeien en binden. Dat geldt voor de hele sector.”
Ter Laak: “Professionals willen ook perspectief zien op langere termijn. Je zult uitdagingen en doorgroeikansen moeten bieden om hun kennis en ervaring binnenboord te houden. Wij zien dit als een pijler onder ons personeelsbeleid en houden zelfs korte functioneringsgesprekken met uitzendkrachten. Dat bevalt wederzijds erg goed.”
Samenvatting
Schaalvergroting is een nauwelijks te stoppen fenomeen waar ook de glastuinbouw al decennia lang mee te maken heeft. Die ontwikkeling biedt ruimte aan een tegenreactie; nichespelers kunnen zich onderscheiden en zorgen voor diversiteit in de sector. Er is geen schakel in de keten die zich aan het belang van groei en bundeling kan onttrekken. Punt van aandacht blijft te allen tijde het menselijke aspect en de persoonlijke kwaliteit van de medewerkers.
Tekst: Jan van Staalduinen. Foto’s: Studio G.J. Vlekke en LD Photography.
[/wcm_restrict]
