[wcm_nonmember]
Voor het bekijken van deze content heeft u een lidmaatschap nodig, of log in als u al een lidmaatschap heeft.
[/wcm_nonmember]
[wcm_restrict]
Trips is met stip een van de belangrijkste problemen in chrysant. Vanwege het steeds schraler wordende pakket aan chemische middelen, de toenemende resistentie van gewasbeschermingsmiddelen en de strenger wordende retaileisen, is de inzet van roofmijten vandaag de dag een belangrijke troef in de bestrijding van deze plaag.
“De afgelopen jaren was de tripsdruk in chrysant erg hoog. Om de roofmijten te ondersteunen, kozen veel chrysantentelers ervoor om deze te gaan bijvoeren met voermijten”, vertelt Lianne van Wijk van Certis Europe. “Hierdoor konden ze zich beter handhaven en vermeerderen in het gewas. Ook aan het begin van het seizoen, als de plaagdruk nog niet zo hoog is. Daarnaast zetten de meeste telers nog breedwerkende biologische middelen in, zoals Azatin en BotaniGard, om de trips te beteugelen.”
Plaagdruk
De geschetste strategie wierp zijn vruchten af: op de meeste bedrijven is inmiddels sprake van een lagere tripsdruk. Veel telers zijn daarom gestopt met de inzet van biologische middelen. Maar nu duiken nieuwe problemen op, geeft de technisch adviseur aan. “De plaagdruk op andere vlakken neemt toe: telers hebben meer te duchten van bijvoorbeeld mineervliegen, rupsen en wantsen. Dat komt vooral doordat roofmijten – en ook veel andere natuurlijke vijanden – een beperkte werking hebben: ze grijpen alleen de tripsen en spint in chrysant. Biologische middelen werken echter breder en hebben tevens een effect op andere plagen. Nu deze middelen niet meer worden ingezet, spelen anderen plagen op in chrysant. Telers realiseren zich nu pas echt wat deze breedwerkende biologische middelen doen.”
Combi-strategie
Dit voorbeeld toont volgens Van Wijk aan dat breedwerkende biologische middelen – de zogeheten biorationals – een onmisbaar element zijn in de hedendaagse geïntegreerde bestrijdingsstrategie. “Alleen met natuurlijke vijanden red je het niet. Je kunt roofmijten inzetten tegen met name trips en spint, maar daarnaast moet je ondersteunend en regelmatig spuiten met gewasbeschermingsmiddelen van natuurlijke oorsprong om bijvoorbeeld mineervlieg, wittevlieg en luis onder de duim te houden. Deze dienen vooral preventief te worden ingezet, als de plaagdruk laag is. Preventie met biologische middelen wordt ook steeds belangrijker, aangezien er steeds minder chemische gewasbeschermingsmiddelen beschikbaar zijn voor correctie. Kortom: een combi-strategie is een must.”
Onmisbare schakel
Gerben Messelink, onderzoeker bij Wageningen University & Research businessunit Glastuinbouw, deelt de mening dat een effectieve geïntegreerde bestrijdingsstrategie moet bestaan uit meerdere componenten. “Wij zien dat breedwerkende biologische middelen, net zoals chemische middelen, duidelijke neveneffecten hebben en op deze manier kunnen helpen bij het tackelen van ‘secundaire’ plagen. Een meersporenbeleid is daarom een must; één oplossing is er niet.”Jenette Douma, consultant sierteelt bij Koppert Biological Systems, geeft wel aan dat sommige breedwerkende biologische middelen soms een licht negatief effect hebben op natuurlijke vijanden. Daarom moeten telers hier volgens haar voorzichtig mee omspringen. “Maar desondanks zijn ze wel een onmisbare schakel in een geïntegreerde bestrijdingsstrategie. Als bedrijf gaan wij voor een totaaloplossing: we combineren de inzet van natuurlijke vijanden indien nodig met toepassing van breedwerkende biologische gewasbeschermingsmiddelen. En deze oplossing moet je zoveel mogelijk afstemmen op die ziekten en plagen waarvoor de plant gevoelig is.”
De basisbestrijding dient volgens Messelink te worden ingevuld door een ‘standing army’ van natuurlijke vijanden. “Daarom is het belangrijk dat telers naar de toekomst toe vooral natuurlijke vijanden inzetten die niet enkel effect hebben op trips, spint of witte vlieg, maar een bredere werking hebben.”
Generalistische predatoren
Vanuit die achtergrond startte WUR op 1 februari met het driejarige project ‘Totaalsysteem van plaagbestrijding met generalistische predatoren’, gericht op chrysant, gerbera en alstroemeria. De geschetste problematiek in chrysant vormde volgens Messelink een duidelijke aanleiding voor het opzetten van dit project, dat financieel wordt ondersteund vanuit de Topsector Tuinbouw & Uitgangsmaterialen.
“Dat we focussen op sierteeltgewassen is niet toevallig: in de groenteteelt zijn biologische systemen voor de bestrijding van meerdere plagen afgelopen jaren al ver doorontwikkeld. In de sierteelt zijn echter nog wat stappen te zetten om de problematiek van de ‘secundaire’ plagen te tackelen”, zegt de onderzoeker. Chemische gewasbeschermingsmiddelen zijn hiervoor steeds minder beschikbaar en de inzet van biologische middelen biedt ook niet altijd een oplossing. Kortom: er is grote behoefte aan robuuste en betaalbare biologische bestrijdingssystemen, die meerdere plagen tegelijk aanpakken. “En de urgentie is hoog: de secundaire plagen-problematiek, die al volop gaande is, zorgt namelijk regelmatig voor een ernstige verstoring van de ontwikkelde biologische bestrijdingssystemen.”
Weerbaar gewas
De zoektocht naar natuurlijke vijanden die breder inzetbaar zijn, heeft ook de aandacht van Koppert. “Dit heeft hoge prioriteit”, benadrukt Douma. “Californische trips kunnen we nu bijvoorbeeld prima onder controle houden met natuurlijke vijanden, maar bij problemen met Echinothrips is spuiten nog altijd nodig. En hierdoor wordt het geïntegreerd systeem weer onderuitgehaald; iets wat niet wenselijk is.”
Daarom is er grote behoefte aan natuurlijke vijanden die meerdere tripssoorten eten. En datzelfde geldt bij de bestrijding van andere plagen. “Overigens zoeken we niet alleen naar generalistische predatoren, maar kijken we ook naar mogelijke andere oplossingen. Denk bijvoorbeeld aan manieren om het gewas weerbaarder te maken. Meerdere wegen leiden naar Rome.”
Generalisten en specialisten
Messelink verwacht dat met name de Orius-roofwantsen veel potentie bieden in de ontwikkeling van robuuste biologische bestrijdingssystemen. Eerder onderzoek toonde namelijk aan dat deze roofwants een brede plaagwerking heeft. “Maar naast natuurlijke vijanden met een brede werking – de zogeheten generalisten – ontkomen we er niet aan om op bepaalde vlakken ook ‘specialistische’ bestrijders in te zetten. Er moet sprake zijn van een samenspel.”
De onderzoeker benadrukt dat het dan zaak is om zo vroeg mogelijk, bij voorkeur al in de opkweek, te beginnen met de inzet van dit uitgekiende team aan biologische bestrijders. “Alleen zo wordt het gewenste ‘standing army’ gecreëerd en ontstaat een stabiel en robuust bestrijdingssysteem. Dat is in de sierteelt één van de belangrijkste uitdagingen voor de komende jaren.”
Veranderingen door invasieve exoten en klimaatverandering
Naast de ‘traditionele’ ziekten en plagen heeft de Nederlandse tuinbouw steeds meer te duchten van ‘nieuwe’ insecten uit met name zuidelijke landen.
Lianne van Wijk heeft haar twijfels of de klimaatverandering hierbij aan te wijzen is als ‘schuldige’. “Ik denk dat dit vooral te maken heeft met het feit dat we steeds meer producten en plantmateriaal over de wereld verslepen. De tomatenmineermot Tuta absoluta is daar een goed voorbeeld van, die is meegelift op tomaten die vanuit Zuid-Europa naar Nederland kwamen. De kans is groot dat het hier niet bij blijft en dat de komende jaren meer nieuwe ziekten en plagen hun intrede doen. Het feit dat we steeds minder breedwerkende insecticiden kunnen inzetten, die dergelijke nieuwkomers vaak tackelden, vergroot dit risico.”
Eind niet in zicht
Gerben Messelink deelt de mening dat het intensieve transport van producten en plantmateriaal een belangrijke rol speelt bij de introductie van nieuwe ziekten en plagen. Maar het steeds warmer wordende klimaat is volgens de onderzoeker zeker een factor van betekenis: hierdoor voelen nieuwe plagen zich prettiger en kunnen deze zich beter vestigen en ontwikkelen. De opmars van de schadelijke roofwants Nesidiocoris tenuis (zie pagina 32), de bruingemarmerde stinkwants en de zuidelijke groene stinkwants zijn hier voorbeelden van. “Het eind is daarom nog zeker niet in zicht. En ook om deze reden is een systeem met breedwerkende natuurlijke vijanden van groot belang; dit kan helpen om een aantal van de invasieve soorten te bestrijden.”
Kennis nodig
Door het extremer wordende weer is het volgens Van Wijk en Messelink een steeds grotere uitdaging om gewasbeschermingsmiddelen op het juiste moment in te zetten. Het ene middel doet het namelijk goed bij een hogere temperatuur, het ander juist als het wat kouder is. Ook de luchtvochtigheid is van belang. “Door de weersextremen wordt het lastiger om het juiste spuitmoment te kiezen”, zegt Wijk. “En omdat biologische middelen doorgaans minder effectief zijn dan chemische varianten, luistert inzet op het goede moment nog eens extra nauw. Dit vergt extra aandacht en vooral meer kennis van de middelen die je gebruikt.”Selecteren op hittetolerantie
Messelink voegt toe dat het opwarmende klimaat ook invloed heeft op de effectiviteit van natuurlijke vijanden. “De ene roofwants of sluipwesp kan beter tegen extreme hitte dan de andere. Maar welk beestje hier wel tegen kan en welke niet, daarover weten we eigenlijk nog veel te weinig. Wanneer de warme zomers van afgelopen jaar vaker terugkeren, moeten we natuurlijke vijanden wellicht gaan selecteren op hun hittebestendigheid. Ook op dit vlak is nog werk aan de winkel.”
Volgens Douma zijn er wel al diverse natuurlijke vijanden beschikbaar die prima gedijen in een warmer klimaat. “In warme streken introduceren wij niet dezelfde beestjes als in Nederland. Uit deze voorraad zouden we al kunnen putten, maar optimalisatie voor het Nederlandse klimaat is dan wel een must.”
Samenvatting
Chrysantentelers zetten de afgelopen jaren in de strijd tegen trips niet alleen roofmijten, maar ook breedwerkende biologische middelen in. Nu zij gestopt zijn met deze ‘biorationals’ neemt de plaagdruk op andere vlakken toe. Dit illustreert dat een geïntegreerde bestrijdingsstrategie moet bestaan uit meerdere facetten. Bovendien wordt gezocht naar natuurlijke vijanden met een bredere werking. Die zijn tevens inzetbaar tegen nieuwe plagen, als gevolg van import en opwarmend klimaat.
Tekst: Ank van Lier.Beeld: Jan van Staalduinen en Studio G.J. Vlekke.
[/wcm_restrict]
