Voor telers die vooruit kijken

Geïntegreerde aanpak van tomatengalmijt nagenoeg onmogelijk

Intensief scouten beste manier om schade te beteugelen
746 0
Geïntegreerde aanpak van tomatengalmijt nagenoeg onmogelijk

Het nieuwe teeltseizoen is nog maar koud van start of de tomatengalmijt steekt alweer de kop op. Nog heftiger dan voorheen. Telers zien de eerste populaties in het gewas al escaleren, met alle gevolgschade van dien. Grootste probleem is het ontbreken van afdoende chemische en biologische middelen om de plaag te bestrijden. En zolang die er nog niet zijn, roepen adviseurs op om het gewas nauwkeurig te scouten.
[wcm_nonmember]
Voor het bekijken van deze content heeft u een lidmaatschap nodig, of log in als u al een lidmaatschap heeft.
[/wcm_nonmember]
[wcm_restrict]
Meer dan driekwart van de tomatentelers in Nederland heeft intussen kennis gemaakt met de tomatengalmijt (Aculops lycopersici) en zijn schadebeeld. Dit minuscuul kleine insect veroorzaakt een roestkleurige stam met, naarmate de aantasting erger wordt, bruin verkleurde bladeren. Behalve de plant, kunnen ook de vruchten worden aangetast. In dat geval verkurken de vruchten en verkleuren de trosstelen roodbruin. Uiteindelijk sterft de plant af.
Galmijten zijn alleen goed waarneembaar onder een microscoop. Dit is juist het probleem. De schade wordt pas herkend wanneer de mijten zich in grote hoeveelheden hebben gevestigd. De tomatengalmijt komt het meest voor op nachtschadeachtigen en dan met name in tomaat.

Oberon verliest werking

De plaag wint snel terrein en telers zitten met de handen in het haar. Zeker nu het vertrouwde Oberon zijn werking tegen de tomatengalmijt verliest. Bovenstaande maakt pijnlijk duidelijk dat er wellicht ook negatieve effecten kleven aan de steeds vaker toegepaste geïntegreerde aanpak. Hielden telers vroeger met breedwerkende middelen de meeste ziekten en plagen en daarmee ook de tomatengalmijt goed onder de duim, de opkomst van natuurlijke vijanden heeft een rem gezet op het gebruik hiervan. Op zich een goede zaak natuurlijk.
De geïntegreerde gewasbescherming met inzet van natuurlijke vijanden vraagt om meer selectieve middelen, verklaart Helma Verberkt van LTO Glaskracht Nederland. “Hierdoor krijgen de galmijten meer ruimte en zijn we nu soms te laat met ingrijpen. Zat vroeger de schade vooral op de stam, nu zien wij meer schade verspreid over het gewas. Samen met de landelijke commissie Tomaat en de gewascoöperatie Tomaat zijn we een onderzoek gestart. Op dit moment werken we aan een inventarisatie van de tomatengalmijten. Welke typen veroorzaken de meeste schade? Zodra we over die details beschikken, kunnen we met de industrie – zowel chemie als bio – aan tafel. De zoektocht naar nieuwe natuurlijke vijanden en middelen moet ook bij hen prioriteit krijgen.”
Zowel onderzoek naar natuurlijke vijanden als biologische middelen staat voor 2017 in de planning via de gewascoöperatie Tomaat.

Biologie uitstellen

En ja, de R&D afdelingen van zowel Koppert Biological Systems als Biobest draaien al overuren. Hun gewasspecialisten komen dagelijks in contact met door tomatengalmijt aangetaste bedrijven en kennen dus de noodzaak van een snelle oplossing. In de eigen proefstations lopen testen met verschillende roofmijten. Welke biedt de beste bescherming?
“Helaas kan ik mijn klanten nog geen pasklaar antwoord geven”, vertelt Arjo van Lenteren van Biobest. “Het is lastig. Je wilt het probleem in de kiem smoren, maar met chemisch ingrijpen vernietig je soms een zorgvuldig opgebouwd biologisch evenwicht en dan is het hek van de dam. Daarbij komt dat veel bedrijven vanwege afspraken met afnemers of bijvoorbeeld Milieukeur zelfs die paar overgebleven middelen niet of nauwelijks mogen inzetten. Neem bijvoorbeeld Vertimec. Probeerde ik vroeger geïntegreerde telers te overtuigen om dit niet te gebruiken, nu roep ik sommige bedrijven op het juist wel in te zetten. En dan vooral aan het begin van de teelt.”
De biologie moet daardoor wat opschuiven. Want ook dat blijft belangrijk, juist voor alle andere plagen. “Een goede Macrolophus populatie is een zeer belangrijke basis. Andersoni, Swirskii en Amblydromalus limonicus werken wel, maar zijn niet afdoende. Verder biedt toepassing van het plakkerige ER II (middel in de categorie ‘physical kill’) op sommige bedrijven verlichting.”

Lastige klierharen

Ook Koppert-specialist Arno Moerman worstelt met het vraagstuk. “Na jaren succesvol Oberon te hebben ingezet tegen de tomatengalmijt, zien we de werking ervan verdwijnen en grijpen telers vaker naar Vertimec. Qua biologie gaan we daarmee terug naar af. Maar het is even niet anders. Ook wij zijn hard op zoek naar een efficiënte natuurlijke vijand. De grootste uitdaging zijn de klierhaartjes van de tomatenplant. Roofmijten hebben hier een dusdanig probleem mee dat overleving en voortplanting uitblijft. Daarbij komt dat ze door de klierhaartjes de galmijten gewoon niet kunnen bereiken. Waar de klierhaartjes zijn omgevallen door aanwezigheid van galmijten, kunnen roofmijten hun werk doen. Daarboven gaan de plaaginsecten weer vrolijk verder zonder weerstand.”
Andere oplossingen komen uit de hoek van de groene middelen of toevoegingen waar nu proeven mee worden gedaan. “We zien dat Addit als uitvloeier met andere middelen een goede uitwerking heeft. Ons advies is daarom om bij elke bespuiting preventief Addit mee te nemen.”

Schone teeltstart

Acties waaraan elk bedrijf zich sowieso dient te houden zijn: een schone teeltstart en een intensief scoutingsbeleid. Zorg voor schoon plantmateriaal bij de plantenkweker en desinfecteer alle ruimten voordat de planten op de mat of in de grond gaan. Met een goed schoonmaakprotocol kan veel ellende achteraf worden voorkomen. Een niet opgeruimd blaadje in de kas kan al grote gevolgen hebben. Ruim dus al het oude gewas op, ook in bijvoorbeeld de verpakkingsloods en ketelruimte.
Van Lenteren: “Dat brengt gelijk het probleem van tussenplanten ter sprake. Sommige telers willen graag tussenplanten. Tja, in een met tomatengalmijt besmet gewas is dat gewoon niet verstandig. Vervelend, maar in dit soort situaties moet je keuzes maken; je kunt niet alles. We weten simpelweg nog niet precies hoe de galmijt in het gewas komt. De verspreiding vindt plaats via contact – mensen en dieren – en via wind. Zaten ze vroeger vooral onderin de plant, nu komen ze ook van de kop af naar beneden.”

Intensief scouten

Een goede en gerichte scouting is verreweg de belangrijkste stap om te constateren of en in welke mate de plaag in het gewas aanwezig is. Hoe sneller een beginnende infectie wordt waargenomen en aangepakt, hoe groter de kans op succes. Onderschat dit niet en trek hier voldoende tijd voor uit. Gelukkig zie je bij grote bedrijven iemand rondlopen die fulltime het gewas scout en zich professioneel bezighoudt met gewasbescherming. Daarnaast moeten ook de oogst- en gewasmedewerkers goed worden geïnstrueerd. Zij lopen immers dagelijks door de paden en het valt ze onherroepelijk op als iets afwijkt van het normale. Leer ze daarom plaaginsecten te herkennen en – indien niet zichtbaar voor het blote oog – de schadebeelden. Een tomatengalmijt zie je niet zitten, maar de bruine plekjes op de stam vallen ongetwijfeld op. Bedenk een systeem om deze informatie snel terug te koppelen.

Detectie

Moerman heeft wat dat betreft nog een goede tip: “Laat in de kantine plaatjes met schadebeelden zien en loof een prijs uit voor de eerste gevonden schade. Op deze manier werkt iedereen mee aan een zo vroeg mogelijke detectie en kun je het probleem het gemakkelijkst in de kiem smoren.”

Samenvatting

Het probleem van de tomatengalmijt bouwt zich al een aantal jaar op. Het insect zelf is niet met het blote oog zichtbaar, maar de schade kan desastreuze vormen aannemen. Probleem is dat er geen afdoende middelen zijn om deze plaag te bestrijden. Een geschikte natuurlijke vijand is nog niet gevonden en breed werkende chemie verstoort op ernstige wijze het biologisch evenwicht. Een geïntegreerde aanpak is daarom lastig. Onderzoek moet aantonen om welke mijt het precies gaat en vervolgens de industrie aanzetten tot oplossingen.

Tekst: Jojanneke Rodenburg. Foto’s: Koppert, Certis, Studio G.J. Vlekke en Jan van Staalduinen.

[/wcm_restrict]

Gerelateerd

Geef commentaar

Uw e-mail adres wordt niet gepubliceerd