Verplicht hergebruik van drainwater dwingt telers om de waterkwaliteit en voedingsbalans nog scherper in het oog te houden. Veranderingen in de samenstelling van organische substraten en het gebruik van reinigingsmiddelen, biociden en/of plantversterkers maken het er niet eenvoudiger op. Sommige stoffen kunnen vroeg of laat nadelig uitpakken. Weet wat u geeft en blijf meten, zo luidt het advies.
[wcm_nonmember]
Voor het bekijken van deze content heeft u een lidmaatschap nodig, of log in als u al een lidmaatschap heeft.
[/wcm_nonmember]
[wcm_restrict]
Telers doen er alles aan om hun gewassen maximaal te laten presteren. Voeding speelt daarin een essentiële rol. Voor de meeste gewassen en teeltfasen zijn in de loop der jaren streefwaarden opgesteld van de hoofd- en sporenelementen. Deze blauwdrukken dienen als uitgangspunt voor de bemestingstrategieën van telers en hun adviseurs. Afhankelijk van de bedrijfsomstandigheden, de geteelde rassen, persoonlijke voorkeuren en voortschrijdend inzicht worden er vaak afwijkende keuzes gemaakt in relatie tot streefwaarden en toegepaste meststoffen.
Maatwerk is de trend
“Maatwerk in voeding is eerder regel dan uitzondering en dat is prima”, stelt product manager Tuinbouw Ines van Marrewijk van Groen Agro Control. De onderzoeks- en adviespraktijk kan daar steeds beter in voorzien, dankzij nieuwe analysemethoden en betere apparatuur. “Wij testen momenteel een nieuw apparaat waarmee we meer meststoffen en zware metalen in lagere concentraties kunnen meten dan voorheen. Dat is ook wenselijk gezien de dynamiek in teeltsystemen, substraten en watermanagement. Telers moeten zich voortdurend realiseren welke stoffen – zowel goede als minder goede – er in het systeem zitten, welke interacties er plaatsvinden, weten of er door recirculatie accumulatie plaatsvindt in het watersysteem en in de plant en wat dat voor gevolgen kan hebben.”
Voeding en uitgangsmateriaal
Meten is weten, te beginnen bij het uitgangsmateriaal. Van Marrewijk: “De kwaliteit van uitgangsmateriaal, of het nu om zaad gaat, om stekken of om plantjes uit weefselkweek, hangt net zo goed samen met voeding als de plantkwaliteit in een reguliere teelt. Op basis van drogestofanalyses van gewassen zijn klanteigen voedingsschema’s ontwikkeld voor moerplanten en zaadteelten. Zaken als kiemkracht en kiempercentage kun je positief beïnvloeden door de voedingsbalans al tijdens de zaadteelt goed te sturen.”
Volgens de bemestingsexpert wordt de oorzaak van een matige stekkwaliteit soms toegeschreven aan ziektes, terwijl de werkelijke oorzaak ligt bij een verkeerd voedingsschema voor moerplanten. “Stekjes moeten een zekere hardheid en uithoudingsvermogen hebben, vooral wanneer zij nog een flinke reis voor de boeg hebben”, licht zij toe.
Ureum in wateranalyses
Telers die met nieuwe meststoffen gaan werken, dienen alert te zijn op veranderingen in de totale voedingsbalans die daarvan het gevolg kunnen zijn. Dat geldt evenzeer voor wijzigingen in de samenstelling en toevoegingen aan teeltsubstraten.
Volgens de deskundige staat ureum al lange tijd in de belangstelling bij rozen- en orchideeëntelers en wordt deze meststof ook in de groenteteelt toegepast. Ureum kan een deel van de nitraatgift vervangen, werkt als stikstofbron langzamer dan ammonium, zodat er minder nitraat gegeven hoeft te worden en maakt in veel gevallen een betere pH-sturing mogelijk. Tot voor kort was het niet gebruikelijk om ureum in beeld te brengen in de voedingscijfers van de wateranalyses. Van Marrewijk raadt aan om dit bij toenemend gebruik wel te doen, zeker bij recirculeren. Dan dient men echt rekening te houden met het terugkomen van ammonium – een omzettingsproduct van ureum – in het drainwater.
Ammonium achterwege laten?
In meerjarige substraatteelten loopt de hoeveelheid organische stof in het wortelmilieu gestaag op, omdat afgestorven wortels door het ontbreken van bodemleven nauwelijks worden afgebroken. Dat gaat gepaard met een geleidelijke stijging van de pH. “Dan zul je meer moeten aanzuren, of aanpassingen doorvoeren in het voedingsschema”, betoogt Van Marrewijk.
Potplantentelers die ureum gebruiken en overstappen op recirculatie, zullen merken dat de ammoniumconcentratie gedurende de teelt kan oplopen. “Dat is een gevolg van de geleidelijke omzetting van ureum”, legt de bemestingsexpert uit. “In veel gesloten potplantenteelten dient de ammoniumgift daarom goed te worden gecorrigeerd in het nieuwe schema.”
Ongewenste elementen
Door verschillende oorzaken zijn er ook stoffen in het spel die op het eerste gezicht weinig kwaad kunnen of zelfs goed werk doen, maar die in gesloten teeltsystemen op termijn toch problemen geven. Een bekend voorbeeld is natriumophoping. Dat kan als lichte verontreiniging meekomen met kalisulfaat, kalisalpeter, borax, calciumchloride en ijzerchelaten zoals DTPA. Er zijn overigens ook chelaten verkrijgbaar met een zeer laag natriumgehalte.
Een tweede voorbeeld zijn oplopende concentraties metalen bij hergebruik van (condens)water dat in contact is geweest met verzinkte kasdelen, de WKK of aluminium teelttafels. “Zink en aluminium kunnen echt toxische niveaus bereiken voor het gewas”, waarschuwt Van Marrewijk. “In zure milieus gaat dat nog sneller. Het is sowieso goed om te weten welke metalen er in de wortelomgeving zitten en in welke mate, want zij hebben altijd invloed op de beschikbaarheid van andere nutriënten.”
Ontsmettingsmiddelen
Van de wederzijdse negatieve (antagonisme) of positieve (protagonisme) beïnvloeding van nutriënten zijn overzichten beschikbaar (zie tabel), maar aluminium en zilver staan daar helaas niet bij. Zilver is een betrekkelijk nieuw fenomeen, dat samenhangt met het toenemende gebruik van bladbemesters en plantversterkers. Deze bevatten vaak zilvercomponenten. Volgens de huidige inzichten is zilver niet snel toxisch, maar het is wel een zwaar metaal. In voedingsgewassen kan dat een rol spelen. Het edelmetaal wordt nog niet meegenomen in de huidige standaardanalyses, maar is wel meetbaar in een zogenaamd zware metalenpakket.
Ophoping van ongewenste stoffen en onvoorziene interacties kunnen ook het gevolg zijn van methoden om het watersysteem schoon te houden en van andersoortige hulpstoffen, zoals remstoffen of uitvloeiers om het gewas na beregening sneller te laten drogen.
Liever vermijden
Sommige apparaten voegen koperionen toe aan het voedingswater om de groei van micro-organismen te beperken. Bij hergebruik kan de koperconcentratie sterk oplopen. Andere apparatuur, zoals ECA-units, voegt met hetzelfde oogmerk actieve chloor toe als alternatief voor waterstofperoxide. Een deel van het actieve chloor wordt in het systeem omgezet in chloraat (met een MRL voor eetbare producten!) en er komt zelfs wat chloride als meststof vrij.
“In de tomatenteelt is chloride tot 8 mmol per liter geen bezwaar, in andere gewassen wil je dat misschien liever vermijden”, aldus de deskundige. “Waar het om gaat, is dat je beseft wat je doet en wat daarvan de gevolgen kunnen zijn.”
Er zijn bedrijven die structureel een uitvloeier toevoegen aan het gietwater om trips te helpen onderdrukken. In combinatie met meststoffen wordt een deel van de (polaire) uitvloeier doorgaans gebonden. Wanneer de teler de meststoffen plotseling achterwege laat, bijvoorbeeld omdat de plant op dat moment geen voeding nodig heeft, kan de plant een verhoogde concentratie uitvloeier ervaren en schade oplopen. “Als je op voorhand niet weet hoe iets uitpakt, kun je dat beter eerst op kleine schaal testen”, merkt Van Marrewijk tot besluit op.
Samenvatting
Via meststoffen, reinigingsmiddelen, andere hulpstoffen en condenswater komen er zowel goede als in potentie minder goede stoffen in het watersysteem. Hergebruik van drainwater kan dan leiden tot ongewenst hoge concentraties. Te hoge of juist te lage concentraties kunnen ook het gevolg zijn van onderlinge interacties van deze elementen, al dan niet in samenhang met het teeltsubstraat. Verfijnde analysemethoden en voortschrijdend inzicht helpen telers om de vinger goed aan de pols te houden.
Tekst en foto’s: Jan van Staalduinen.
[/wcm_restrict]
