Analyse van de voedingsopname door het gewas maakt het mogelijk om de bemestingsgift nauwkeuriger af te stemmen op de gewenste plantontwikkeling. De balans tussen de elementen stikstof, zwavel en chloride geeft telers een extra stuurmiddel om het gewas tot een meer vegetatieve of generatieve groei te bewegen. Tomatenkwekerij Kesgro in Agriport past de methode enkele jaren toe en heeft er goede ervaringen mee.
[wcm_nonmember]
Voor het bekijken van deze content heeft u een lidmaatschap nodig, of log in als u al een lidmaatschap heeft.
[/wcm_nonmember]
[wcm_restrict]
Met enige regelmaat rijdt adviseur Ruud Kaarsemaker van Groen Agro Control naar de Wieringermeer om de vier teeltmanagers van Kesgro bij te praten over de meest recente analyseresultaten en de te volgen teeltstrategie. Ieder is verantwoordelijk voor één van de vier teeltafdelingen, die elk ruim 9 ha omvat. Dankzij groeilicht en verschillende plantdata wordt er jaarrond geproduceerd. “We telen nu nog één ras, de medium trostomaat Axiradius”, vertelt teeltmanager Erik van Nieuwkoop. “In de zomer zetten we in twee afdelingen de wat grovere Merlice.”
Kesgro behoort tot de eerste lichting bedrijven die de bemestingsgift afstemt op de gerealiseerde opname door het gewas. Over de betekenis en methodiek van de opnameanalyse, die door Kaarsemaker zelf is ontwikkeld, verscheen vorig jaar mei een uitgebreid artikel in Onder Glas. Gewassturing met behulp van het drieluik zwavel, stikstof en chloor (S-N-Cl) borduurt daar op voort.
Weggroei beteugelen
“Het principe is dat je de gewasontwikkeling nauwkeurig kunt sturen via de onderlinge verhouding tussen deze elementen”, licht de adviseur toe. “Wat je wilt is dat de plant zoveel nitraat opneemt dat hij voldoende blad maakt om een hoge productie te realiseren. Bij een overmaat aan opgenomen stikstof worden de bladeren te groot en krijgt het gewas een te vegetatieve stand. Je investeert dan teveel in bladmassa en te weinig in vruchtontwikkeling. Bij een tekort maakt de plant kleinere bladeren en wordt de fotosynthesefabriek die de productie mogelijk moet maken niet groot genoeg. Het is dus de kunst om de plant precies genoeg stikstof te laten opnemen. Dat kun je beïnvloeden met sulfaat en met chloor.”
Erik van Nieuwkoop neemt de zomerplanting als voorbeeld. “De grote hoeveelheid natuurlijk licht in de zomer geeft veel rassen een sterke vegetatieve impuls. Wij corrigeren dat voor een belangrijk deel via de bemesting. In het verleden hield je daarvoor een wat hogere EC aan. Dankzij de nieuwe inzichten op basis van opnameanalyse sturen we nu ook bij door verhoudingsgewijs wat meer sulfaat en chloor te doseren. Daardoor neemt het nitraatgehalte in het druppelwater af en neemt de plant er iets minder van op. In combinatie met andere teeltmaatregelen, zoals de klimaatinstellingen en het snoeibeleid, houden we het gewas op die manier van meet af aan in de juiste balans.”
Op tijd de ruimte geven
Kaarsemaker vult aan: “Sulfaat remt de nitraatopname het sterkste. Je moet daarom wel voorzichtig zijn en het sulfaatgehalte niet te sterk opvoeren. Chloor remt de nitraatopname minder sterk, maar wordt ook opgenomen door het gewas en stimuleert de opname van kationen. Je moet chloor dus niet achterwege laten.”
De adviseur benadrukt dat het erg belangrijk is om de planten op tijd weer wat vegetatieve armslag te geven. “Wanneer de plantbelasting toeneemt, moet er voldoende blad bijkomen om een goede vruchtontwikkeling te faciliteren. Daar past een hoger aandeel nitraat bij. In de laatste weken hoef je nog maar heel weinig chloor en sulfaat mee te geven.”
Kaarsemaker zegt dat hij dit mechanisme vier en vijf jaar geleden ook in de praktijk heeft beproefd, maar dat de resultaten toen nog onvoldoende voorspelbaar en controleerbaar waren. “Het rekenmodel voor opnameanalyse was toen nog niet uitontwikkeld”, verklaart hij. “Nu is dat wel het geval en kun je veel scherper zien wat het gewas doet.”
Mee leren werken
De nauwkeurigheid waarmee het gewas via deze ‘extra knop’ op het gewenste spoor is te houden, heeft Van Nieuwkoop en zijn collega’s verbaasd. “We werken er nu bijna twee jaar mee en ons vertrouwen in deze methodiek is duidelijk toegenomen”, zegt hij. “In het begin waren we veel terughoudender. Wanneer Ruud op basis van de opnameanalyse, de stand van het gewas en de gewenste ontwikkelingsrichting adviseerde om een stevige correctie door te voeren in de S-N-Cl balans, waren we daar vaak wat huiverig voor. Als we dan een of twee weken later zagen hoe het gewas daarop had gereageerd, moesten we hem toch steeds met terugwerkende kracht gelijk geven. Het is een verrassend precies stuurinstrument, maar je moet er wel even mee leren werken.”
Door de ervaring die de teeltmanagers in hun vorige teelt hebben opgebouwd, durfden zij het dit jaar aan om de adviezen wat eerder en consequenter op te volgen. “In mijn lopende teelt heb ik de eerste 20 weken een nitraatconcentratie van 11 mmol/liter aangehouden, wat over het algemeen als ondergrens wordt gezien”, vertelt Van Nieuwkoop. “Bij de start van de teelt waren de concentraties chloor en sulfaat nog relatief hoog, om te voorkomen dat het gewas ondanks de lage nitraatconcentratie toch teveel op zou nemen. Geleidelijk zijn de gehaltes chloor en sulfaat verlaagd toen de plantbelasting begon te toe te nemen. Soms moet ik wat bijsturen, maar het beeld is al veel vloeiender dan in de vorige teelt.”
Schema’s op de schop
Belangrijke leerpunten voor Van Nieuwkoop en zijn collega’s waren dat de plant niet altijd automatisch opneemt wat hij nodig heeft en dat het schema daar meer invloed op heeft dan hij vermoedde. “We wisten allemaal dat je bepaalde verhoudingen in de gaten moet houden, maar dat je het gewas op deze manier zo nauwkeurig in generatieve of vegetatieve richting kunt sturen, was voor ons echt een eyeopener.”
Op basis van voortschrijdend inzicht en ervaring zijn de bemestingsschema’s op het bedrijf de afgelopen jaren flink op de schop gegaan. “In het verleden werkten we voornamelijk met vaste recepten, die lang werden vastgehouden”, merkt de teeltmanager op. “Nu stemmen we de schema’s veel specifieker af op het ontwikkelingsstadium en de stand van het gewas. Of dat resulteert in een hogere opbrengst is moeilijk aan te geven, want elk jaar is anders. Ik ben er wel van overtuigd dat de opbrengst minstens gelijk is en dat de vruchtkwaliteit en houdbaarheid er echt op vooruit zijn gegaan. De vruchten verouderen duidelijk minder snel. Dat zal onze afnemers zeker plezier doen. ”
Samenvatting
Afhankelijk van de onderlinge verhoudingen tussen de elementen zwavel, stikstof en chloor is een tomatengewas in generatieve of generatieve richting te sturen. Het rekenmodel achter deze nieuwe balansknop maakt deel uit van het bredere model voor opnameanalyse, dat inmiddels op tientallen bedrijven wordt toegepast. Teeltmanagers roemen de nauwkeurigheid van het instrument, dat een aanvulling vormt op andere sturingsmechanismen.
Tekst en beeld: Jan van Staalduinen.
[/wcm_restrict]
