Voor telers die vooruit kijken

Te veel suikers naar bloemen en vruchten gaat ten koste van productie

Temperatuurcorrectie belangrijk instrument voor sturing
312 0
Te veel suikers naar bloemen en vruchten gaat ten koste van productie
Hoe behaal je een maximale opbrengst? Het vergt balanceren tussen de productie op korte termijn en voldoende productiecapaciteit op de langere termijn. Dit speelt bij elk gewas waarvan je maar een deel oogst, zoals vruchtgroenten en snijbloemen. Maar het meeste is bekend bij tomaat.
[wcm_nonmember]
Voor het bekijken van deze content heeft u een lidmaatschap nodig, of log in als u al een lidmaatschap heeft.
[/wcm_nonmember]
[wcm_restrict]
Een volgroeid gewas produceert veel minder suikers dan de groeiende delen kunnen verwerken. Het resultaat is dat de groeiende organen (bloemen, vruchten, jonge scheuten, wortels) om het hardst de suikers naar zich toe proberen te trekken. Er is een altijd felle concurrentiestrijd gaande. En als één van de concurrenten afvalt, profiteren de anderen daarvan. Dat kun je zien als je vruchten of bloemen dunt. De overgebleven exemplaren worden dan groter.

Vraag en aanbod

De productie van suikers heet de source: het aanbod van assimilaten. Alle groeiende organen heten ‘sink’, en sinksterkte staat voor de vraag naar assimilaten. Voor een goede productie moeten vraag en aanbod op elkaar zijn afgestemd, maar dat betekent niet dat ze gelijk aan elkaar zijn. In tegendeel zelfs, bij tomaat is de sinksterkte van het hele gewas gemiddeld over het hele seizoen twee keer zo groot als de sourcesterkte. Bij komkommer is dat zelfs drie keer. Kort gezegd: er is altijd te weinig.

Dit heeft belangrijke consequenties voor de productiemogelijkheden. Je kunt de boel op zijn beloop laten: alle bloemen en vruchten die zich vormen, laten uitgroeien. Die worden dan allemaal niet zo groot. En wat erger is: samen trekken ze zoveel suikers naar zich toe, dat jonge scheuten en bladeren te weinig krijgen. Dat gaat ten koste van het toekomstige productieapparaat. Het totale bladoppervlak (LAI) daalt drastisch en op den duur ook de totale kilogramopbrengst. Dit is dus niet de goede strategie bij gewassen waarvan je maar een deel oogst. Elke teler houdt dan ook rekening met de plantbelasting: het aantal bloemen of vruchten per plant.

Grotere source

Een maximale opbrengst begint bij een maximale totale groei: meer licht en meer CO2 leiden tot meer suikers en dus een grotere source om te benutten. Vervolgens is het zaak om een optimaal deel daarvan naar vruchten of bloemen te sturen.

Bij tomaat is nu eenmaal het meeste onderzoek gedaan en daarom gaan we verder met dit gewas. Het aantal vruchten per tros is sterk bepalend voor het resultaat. De sinksterkte van groeiende vruchten is groot: hoe meer vruchten je aanhoudt per tros, hoe meer suikers er naar de vruchten gaan (zie figuur 1). Natuurlijk zit daar een grens aan; de rest van de plant krijgt altijd nog wel wat suikers.

Toch is dat op termijn duidelijk te weinig, zo laat figuur 2 zien. Wanneer we gedurende een teelt te veel vruchten aanhouden is het bladoppervlak laag en daardoor wordt er minder licht onderschept en dus benut. Het gewas kan daardoor juist minder suikers produceren. Dat gaat ten koste van de totaal geproduceerde biomassa en ook van het totale vruchtgewicht.

Biomassaproductie

Er is dus een optimale hoeveelheid vruchten per tros, die tot de hoogste kilogramopbrengst leidt. Het hangt onder andere van het ras af welk aantal dat is. Bijvoorbeeld acht bij een fijne soort en vijf bij een grof ras. Maar bij trostomaten bepaalt de markt vaak hoeveel vruchten er aan een tros mogen zitten en bovendien hoe groot die mogen zijn. Dan zijn de temperatuur en de stengeldichtheid knoppen om aan te draaien.

De totale biomassaproductie wordt bepaald door licht en CO2-niveau. De ontwikkeling van de vruchten juist door de temperatuur. Een snelle ontwikkeling bij lage biomassaproductie leidt tot kleine vruchten (of bij andere gewassen: kleine bloemen). Een hoge biomassaproductie bij een lage temperatuur juist tot grote vruchten (zie figuur 3).

Afsplitsingssnelheid

Bij losse tomaten is er wat grotere vrijheid om te spelen. Je begint met de bepaling van de stengeldichtheid voor ieder weeknummer, gebaseerd op verwachte oogst. Als de klant een bepaald vruchtgewicht wil, moet je in staat zijn dat zo lang mogelijk te leveren.

De volgende redenering leidt dan tot het optimale aantal vruchten per tros. De verschijningssnelheid (= afsplitsingssnelheid) van de trossen (bijvoorbeeld één per week) maal de uitgroeiperiode (bijvoorbeeld 8 weken) bepaalt het aantal trossen aan een plant. Dat vermenigvuldigd met de stengeldichtheid geeft het aantal trossen per m2. De gemiddelde groei in gram/week van de trossen vind je door de verwachte totale vruchtgroei (gram/m2 per week) te delen door het aantal trossen/m2.

Balanceren

Vervolgens vermenigvuldig je de gemiddelde trosgroei met de uitgroeiperiode. Zo vind je het eindgewicht van de tros. Het eindgewicht gedeeld door het gewenste vruchtgewicht geeft het aantal vruchten per tros. Dit kun je als volgt samenvatten:
Aantal vruchten per tros = Totale vruchtgroei (gram/m2 per week)
Afsplitsingsnelheid x stengeldichtheid x gewenst vruchtgewicht
De consequenties hiervan:
– Als je een hoger vruchtgewicht nastreeft, kun je minder vruchten per tros aanhouden.
– Als de stengeldichtheid groter is, kun je minder vruchten per tros aanhouden.
– Bij een hogere temperatuur gaat de ontwikkeling sneller, ook de afsplitsingsnelheid. Dan kun je dus minder vruchten per tros aanhouden.
– Als er meer suikers beschikbaar zijn – bijvoorbeeld door assimilatielicht – moet je meer vruchten per tros aanhouden om het nagestreefde vruchtgewicht te behouden.

Niet alle koppen meteen eruit

In het voorjaar bouwt een tomatenteler het aantal stengels gestaag op. Eigenlijk zou hij na augustus het tegenovergestelde moeten doen: langzaam afbouwen. Eerst bij een kwart van de planten de kop eruit en later meer. Dus niet alle koppen meteen eruit.

Deze manier van denken voorziet duidelijk in de behoefte van de praktijk aan een leidraad om te balanceren tussen huidige en toekomstige productie. Zoals gezegd is bij tomaat (wereldwijd) het meeste onderzoek gedaan, maar de principes gelden bij elk gewas dat niet in zijn geheel wordt geoogst.


Vuistregel uit de praktijk

Een rekenvoorbeeld uit de praktijk van een tomatenvoorlichter: Als er te weinig licht is, moet de temperatuur omlaag.

Een grof tomatenras heeft per tros 125 J licht nodig, plus 125 J voor gewasgroei. Bij genoeg licht nemen we als basis-etmaaltemperatuur 17,5ºC. Deze temperatuur moet worden gecorrigeerd als er te veel of te weinig licht is: 0,25ºC voor elke 125 J meer, en -0,33ºC voor elke 125 J minder.

De plant heeft 8 trossen en er is 800 J gemeten. Voor de etmaaltemperatuur van 17,5ºC is 8×125 + 125 = 1125 J nodig. Er is echter maar 800 J, dus 325 tekort. Er moet daarom gecorrigeerd worden met 325/125 = 2,6 x 0,33ºC = 0,9ºC. De etmaaltemperatuur moet dus worden verlaagd van 17,5ºC naar 16,6ºC.

N.B. Over de hele teelt gerekend gaat 70% van de suikers naar de vruchten en 30% naar de vegetatieve delen. Dit lijkt in tegenspraak met bovenstaande berekening. Toch is dat niet zo: omwille van een eenvoudige berekeningsmethode is in de ‘trosvraag’ rekening gehouden met een stukje onderhoud en groei van de plant.


Samenvatting

Een volgroeid gewas produceert altijd minder suikers dan de groeiende delen kunnen verwerken. Dat heeft belangrijke consequenties. Wanneer je alle actuele groeiende bloemen en vruchten de suikers naar zich toe laat trekken, krijgen de groeiende bladeren te weinig. Dat gaat ten koste van de productie in de toekomst. Bij tomaat is een optimaal aantal vruchten per tros te berekenen. Temperatuurcorrectie is een belangrijk instrument voor sturing.

Tekst: Ep Heuvelink (Wageningen University & Research),
Ad de Koning (Ridder Growing Solutions) en Tijs Kierkels.
Beeld: Wilma Slegers.

[/wcm_restrict]

Gerelateerd

Geef commentaar

Uw e-mail adres wordt niet gepubliceerd